Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

De vrouw in het ambt

Inhoud
1) De vrouw als predikant in de VPKB in heden en verleden, door ds. A.R. Beukenhorst
2) Met andere ogen: De emancipatie van de vrouw en het Belgisch protestantisme, door dr. Guy Liagre
3) De vrouw in het geding: Een evaluatie van het decennium ‘Kerken solidair met vrouwen’, zijn impact op de conferentie van de Wereldraad in Harare en een blik in de toekomst, door mevr. Jeannine Rogier
4) ‘Moeder Aarde’ en het lichaam van God, door prof. dr. Anne Marie Reijnen

I. De vrouw als predikant in de V.P.K.B. in heden en verleden

De Constitutie en kerkorde

Het derde luik van Artikel 4 van de Constitutie en Kerkorde van de Verenigde Protestantse Kerk in België roept haar lidmaten o.a. op tot het ambt van dienaar des Woords, ouderling en diaken. Deze drie ambten, zo wordt verder gezegd, worden in volledige collegialiteit uitgeoefend. Uit de tekst valt niet op te maken dat vrouwen niet tot het ambt van dienaar des Woords mogen toetreden. Het betreffende artikel 4 van de Kerkorde is in zijn bewoordingen wel volledig masculien: ... het hem toevertrouwde pastorale werk... hij brengt verslag uit over de uitoefening van zijn ambt tegenover de vergadering die hem benoemd heeft... 

Bij de oprichting van de VPKB

Bij de oprichting van de VPKB was het vrouwelijke predikantschap niet vanzelfsprekend. Aan de afgevaardigden naar de eerste synodevergadering, gehouden te Brussel op 16 en 17 november 1979, was een document nr. 10 toegezonden met als titel: "De vrouw in het ambt van Dienaar des Woords". Het document was afkomstig van de synodale raad en, namens deze raad, ondertekend door de voorzitter, dr. André J. Pieters. Het stuk schetst in de eerste plaats de verschillende tradities over de vrouw in het predikambt zoals deze bestonden in de drie zich verenigende kerken.

Protestantse Kerk van België

Binnen de synode van de toenmalige Protestantse Kerk van België was de vrouwelijke predikant blijkbaar nooit een punt van discussie geweest. Men had gekeken naar wat in sommige kerken in het buitenland besloten was over deze zaak en dit gunstig aanvaard. Tot een echte uitspraak - voor of tegen - kwam men niet. In deze PKB hebben trouwens enkele vrouwen het ambt van Dienaar des Woords uitgeoefend.

Gereformeerde Kerken

De vroegere classis België van de Gereformeerde Kerken in Nederland (het document spreekt abusievelijk over België), heeft de beslissingen en schikkingen gevolgd die in 1970 reeds genomen waren door de algemene synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland te Sneek. Daar werd de inzegening van vrouwen tot het predikambt aanvaard. Reeds in 1964 had de toenmalige synode van de Hervormde Kerk van België een beslissing getroffen, die het theologisch onderzoek en de opinie van de synode toentertijd weerspiegelde. De synodale raad van deze kerk verkreeg de toestemming om op tijdelijke basis vrouwen in dienst te nemen, die licentiaat waren in de theologie. Ze kregen echter geen pastorale delegatie toegekend, m.a.w. het bedienen van de sacramenten werd hen niet toegestaan en bleef dus een mannenzaak. Verder mochten deze vrouwen alleen daar geplaatst worden, waar de gemeenten er expliciet om vroegen.

Besluiten van 1964 gewijzigd

Pas 14 jaar later, in 1978, kwam het punt van de vrouwelijke dienaar des Woords weer op de agenda van de synodevergadering. Men sprak over deze materie op grond van een belangrijke theologische studie, waaruit bleek dat 74% van de afgevaardigden de besluiten van 1964 wenste te wijzigen. Ter synode werd in verschillende groepen over deze zaak gesproken en legde elke groep een verslag voor, waarover gestemd werd. Uit deze stemmingen kwam naar voren dat - met zeer verschillende nuances - toch 65% van de afgevaardigden de vrouw als dienaar des Woords wilden aanvaarden. Met haast algemene stemmen werd toen het volgende besluit genomen: ‘De synode vraagt aan de gemeenten de studie verder te zetten'. Daarbij moest rekening worden gehouden met de diverse nuances die tijdens die stemmingen naar voren waren gekomen.

Geen eensluidend standpunt

Bij de oprichting van de VPKB was er dus geen eensluidend standpunt over deze zaak waar allen zich in konden terugvinden. De synodale raad wilde echter dat de kerk een definitieve beslissing zou nemen. Uit het voorstel dat deze raad formuleert, blijkt dat men wilde rekening houden met de gevoeligheden, die vooral binnen de Hervormde Kerk van België op dit punt bestonden. De verantwoordelijkheid werd gelegd bij de plaatselijke gemeente. Deze kreeg in het voorstel de vrijheid haar predikant te kiezen. Anders gezegd: elke gemeente staat het vrij een vrouwelijke predikant te aanvaarden of te weigeren. De synodevergadering van de VPKB zou zelf echter wel besluiten dat zij als kerk voluit vrouwen tot het predikantsambt mag inzegenen. Dit zou inhouden dat de synodevergadering aan de commissie voor het predikambt de toestemming zou geven vrouwelijke licentiaten in de theologie te aanvaarden. Ze mochten een proponentschap beginnen in een van de gemeenten. Tevens, in uitzonderlijke gevallen, werden vrouwelijke kandidaten aanvaard die geen licentiaat waren, maar bijzondere gaven hebben om het ambt van dienaar des Woords uit te oefenen. Elke gemeente blijft ook hier weer het recht behouden het proponentschap van een vrouw in haar midden te weigeren, en consequent de mannelijke lijn te bewandelen. Bij het commentaar rond het voorstel wordt in het document ten slotte nog toegevoegd, dat de synodale raad alle aandacht heeft voor het feit dat de familiale toestand van de vrouwelijke predikant beperking kan meebrengen voor de uitoefening van het predikambt. Dat dit ook kan gelden voor een mannelijke predikant ging blijkbaar het inzicht van de vroede vaderen te boven! Hier zal echter gedacht zijn aan een eventuele zwangerschap van de gehuwde vrouwelijke predikant, waardoor zij haar ambt voor een bepaalde periode niet zou kunnen vervullen.

De districten reageren

De twee voorstellen van besluit die de synodale raad aan de synodevergadering 1979 voorlegde waren:

1. De VPKB erkent het predikambt van de vrouw zowel als van de man.
2. Elke plaatselijke gemeente blijft vrij in de keuze van haar predikant.

Tegen deze besluiten werden ter synode enkele moties ingebracht. De districtsvergadering van Luik wilde aan deze beide voorstellen nog een derde luik toevoegen. Omdat in het commentaar van de synodale raad bij zijn beide besluiten elke theologische argumentatie over de vrouw in het predikambt ontbrak, vroeg dit district dat de studie van het "theologisch probleem" betreffende het openstellen van het predikambt voor vrouwen, weer zou worden hervat en worden afgerond. De synode zou dan een definitief besluit kunnen nemen. De districtsvergadering van Henegouwen-Namen-Luxemburg wilde nog verder gaan en vroeg geen gevolg te geven aan de beide voorstellen van besluit. Wel zou de commissie kerk en theologie moeten belast worden met het opstellen van een document dat op basis van het Woord van God, de toelating van vrouwen tot het ambt rechtvaardigt. Ook de districts-vergadering Oost- en West-Vlaanderen deed een voorstel in deze richting: de zaak moest eerst verder bestudeerd worden vóór een definitief besluit te nemen. Het document dat de commissie kerk en theologie daartoe zou moeten opstellen, zou alle voor- en tegenargumenten moeten opnemen.

Moties worden ingediend

Ter synodevergadering werd nog door drie afgevaardigden een motie ingediend, waarin rekening werd gehouden met die vrouwen die binnen de Verenigde Kerk reeds als predikant werkzaam waren. Zij zouden volledig als dienaars des Woords worden erkend. Alle andere gemeenten bleven echter volledig vrij alleen maar mannen als predikant te aanvaarden. Alle moties werden in een zeer geanimeerde sfeer met soms heftige accenten besproken, maar steeds weer met een belangrijke meerderheid verworpen. De twee voorstellen van besluit van de synodale raad werden tenslotte met 60 stemmen voor en 16 stemmen tegen aanvaard.

Protest tegen de vrouw in het ambt

Toen dit besluit gevallen was werd snel een nieuwe motie ingediend. Deze stipuleerde: "Een minderheid kan niet akkoord gaan met de inzegening van de vrouw tot het ambt van dienaar des Woords. Dat probleem kan zich voordoen op ieder vlak binnen de Kerk. Op plaatselijk vlak kan een gemeente beslissen geen vrouw tot haar predikant te beroepen, deze gemeente aanvaardt automatisch alle gevolgen van haar keuze ten aanzien van de prediking, van het proponentschap, enz.... Op het vlak van het district heeft de districtsvoorzitter op grond van gewetensbezwaren het recht te weigeren voor te gaan bij de inzegening van een vrouw tot het ambt van dienaar des Woords. Op nationaal vlak heeft een lid van de commissie voor het predikambt het recht tegen de toelating van een vrouw tot het ambt van dienaar des Woords te stemmen". Deze motie kreeg slechts 5 stemmen voor en werd dus verworpen. Een gevolg hiervan was dat de synodale raad in zijn beleidsverslag, dat werd aangeboden aan de synodevergadering van 1980, moest melden dat ds. M. Demaude zijn ontslag had ingediend als lid van de synodale raad. Na het besluit van de synodevergadering van 1979 om vrouwen toe te laten tot het ambt van dienaar des Woords, zag hij zich genoodzaakt zijn ontslag in te dienen. Volgens hem was de beslissing onschriftuurlijk, en daardoor in strijd met de Constitutie. De zaak werd uiteindelijk voorgelegd aan de juridische raad van de VPKB.

Stilte na de storm...

In de synodestukken van 1980 en de jaren daarna lezen we niets meer over deze zaak. Evenmin in het beleidsverslag van de synodale raad, noch in een of ander advies van de juridische raad. De twee voorstellen van besluit die de synodale raad in 1979 had voorgelegd werden uiteindelijk opgenomen in de gewoonteregels van de VPKB onder D.4.1.2 - Predikambt van de vrouw. Verschillende gemeenten, zowel in het Nederlandstalige als in het Franstalige landsgedeelte, beriepen in de loop van de jaren een vrouw. Hoewel het vrouwelijke predikambt in het Franstalige gedeelte tot op heden nog slechts sporadisch voorkomt. Ook binnen de synodale raad deed de vrouwelijke predikanten hun intrede. Ds. H. Oudenbroek; ds. P. Forceville en ds. G. Schouten waren voor een korte of langere periode lid van deze raad, hetzij als vice-voorzitter, hetzij als vertegenwoordigster van een district. Ook binnen de bijzondere ambten zijn zij nu vertegenwoordigd: het aalmoezeniersschap op de luchthaven wordt verzorgd door een vrouwelijke predikant (een wereldprimeur!) en het stadspastoraat en het ziekenhuispastoraat in Antwerpen worden/werden geleid door vrouwelijke dienaars des Woords.

Op bijzondere wijze geven zij allen samen met hun mannelijke collega's gestalte aan datgene wat in het eerste luik van Artikel 4 van de Constitutie staat: de verkondiging dat de verheerlijkte Christus zijn verzoenend en bevrijdend werk in de wereld voortzet!

Auteur: Ds. A.R. Beukenhorst

Bron: Dr. G. Liagre (red.), Pastor in de weer. Predikant zijn tussen vraag en antwoord. Vriendenboek ter gelegenheid van het zilveren ambtsjubileum van ds. G.R.A. Schouten, Serie Protestantse verkenningen nr. 3, Uitgave ProDoC, Universitaire Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid, Brussel 1999, 17-20.

II. Met andere ogen.

De emancipatie van de vrouw en het Belgisch protestantisme, 1850-1914

Inleiding

Samenvatting

In het besef dat de omvorming van de verhouding tussen de geslachten nog altijd voortduurt...(1)

Het is onmogelijk om in kort bestek een compleet overzicht van de positie van de vrouw in de negentiende eeuw te geven. Niet alleen omdat het terrein tussen 1789 en 1914 daarvoor te uitgebreid is.(2) Er is vooral het probleem dat de situatie van vrouwen in die periode bij nadere bestudering zo complex blijkt te zijn, dat geen recht aan alle nuances en aspecten kan worden gedaan. Daar komt nog bij dat ik de verkokering van het geschiedenisbeeld binnen een eng protestants kader wens tegen te gaan. Er bestaat in de negentiende eeuw niet zoiets als een bepaald type ‘protestantse vrouw'. Dat wil echter niet zeggen dat het protestantisme in de vorige eeuw geen invloed op de ontwikkeling van de vrouw zou hebben gehad. Maar het is de opdracht om als theoloog en historicus te streven naar integratie, naar een samenhangend beeld der dingen.(3)

Het valt op dat er tussen het pleidooi voor de rechten van de vrouw, het antiklerikale protestantisme en het liberalisme, een soort osmose bestaat die we ook bij andere emancipatorische tendensen vaststellen. Daarom zal ik mij in dit artikel vooral op de contouren van deze wederzijdse beïnvloeding toespitsen. Ik doe dat in de hoop daarmee een weliswaar fragmentarisch, maar niettemin globaal gesproken werkelijkheidsgetrouw beeld te geven.

Auteur: Guy Liagre (1957) promoveerde in 1998 tot doctor in de protestantse godgeleerdheid op een studie over het Belgische protestantisme en de antiklerikale strijd in de negentiende eeuw. Hij was predikant in Geraardsbergen (1980-1984), Menen (1984-1990) en Brussel (1990). Sinds 1986 is hij als assistent en later als wetenschappelijk medewerker verbonden aan de Universitaire Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel. Hij doceert er de geschiedenis van de negentiende eeuw.

Document

Bestand (11/3/2002): met andere ogen.pdf (154kB)

Voetnoten
(1) M. Heijerman en C. Vander Stichele, Woord vooraf bij de Nederlandse vertaling, in: C.A. Newson en S.H. Ringe (red.), Met eigen ogen. Commentaar op de vrouwen vanuit het perspectief van vrouwen, Zoetermeer, 1995, p. 9-10. (oorspr. in het Engels: The women's Bible commentary, London, 1992).
(2) Ik sluit mij aan bij die historici die de negentiende eeuw laten beginnen met de revolutie (1789) en eindigen met de Grote Oorlog (1914).
(3) Zie hierover: H. Bost, Théologie et Histoire. Au croisement des discours, Paris, 1999.

Bron: Dr. G. Liagre (red.), Pastor in de weer.

III. De vrouw in het geding 

Een evaluatie van het decennium ‘Kerken solidair met vrouwen', zijn impact op de conferentie van de Wereldraad in Harare en een blik in de toekomst

De 8ste assemblee van de Wereldraad van Kerken, van 3 tot 14 december 1998, sloot het decennium ‘Kerken solidair met vrouwen' af. Heb ik het mis als ik beweer dat heel wat mannen in de kerken een zucht van verlichting slaken, zo van ‘Oef! Dat hebben we gelukkig weer achter de rug'? (1)

In volle assemblee, ter attentie van zo'n duizend kerkelijke vertegenwoordigers, vroeg één van hen: ‘Moeten wij eigenlijk zoveel tijd besteden aan die schreeuwende vrouwen die heus wel voor zichzelf kunnen zorgen,' en niet gehinderd door enige dossierkennis vervolgde hij, ‘we zouden ons beter bezig houden met de problemen van de kinderen, die kunnen niet voor zichzelf spreken.' Even dacht ik dat hij eigenlijk bedoelde: ‘Ze zouden zich beter bezig houden met hun kinderen.' Had de brave man zijn documenten gelezen, dan had hij gezien dat praktisch overal ‘vrouwen en kinderen' en op vele plaatsen zelfs ‘vrouwen en mannen' stond. Maar goed, het is blijkbaar niet gemakkelijk om na eeuwen vanzelfsprekende privileges en alleenheerschappij wat plaats in te ruimen. Hoorde ik onlangs niet een eerbiedwaardige professor emeritus zorgelijk vragen waar dat toch allemaal naar toe moet: Hoe hij zichzelf ook bekijkt, naar kerklidmaatschap of naar nationaliteit, altijd wordt hij door een vrouw vertegenwoordigd in de Wereldraad. De overigens alleraardigste man beseft gelukkig wel dat, als hij toevallig, zonder ‘la petite différence' geboren was, hij van bij zijn geboorte altijd en overal door het andere geslacht zou vertegenwoordigd zijn. Maar toch, troonsafstand blijft moeilijk.

Deze voorbeelden illustreren dat het decennium dan al kan afgesloten zijn, maar dat het bekeringswerk in ieder geval nog niet af is. Wat is er dan tijdens het decennium ‘Kerken Solidair met Vrouwen' reeds wel of nog niet gebeurd? Na de kerkbezoeken van 1993, halftijdse evaluatie zeg maar, kon je al vermoeden wat intussen al bijna een cliché geworden is. ‘Kerken Solidair met Vrouwen', bleek veeleer: ‘Vrouwen Solidair met Kerken' en gaandeweg steeds meer ‘Vrouwen Solidair met Vrouwen.'

Een grote waterkruik

Tijdens de eindevaluatie, 27 tot 30 november 1998, stond op het podium een grote waterkruik. Vrouwen uit alle werelddelen brachten in kleine kruikjes hun tranen en goten die in de grote kruik: ‘Jouw tranen zijn mijn tranen, en alle tranen van de wereld brengen we bij onze Heer opdat Hij ze verandere in levend water, een bron van hoop: ‘Het Lam, dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en voeren naar waterbronnen des Levens; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen;' (Openbaringen 7:17).

Terecht hebben vrouwen er dan ook bij de kerken op aangedrongen hen ter hulp te komen. Ze hoorden de vraag van Jezus: ‘Vrouw waarom ween je?' en tijdens het decennium hebben ze samen naar antwoorden gezocht. Het zoeken naar de dieper liggende oorzaken en verbanden bracht er hen als vanzelf toe hun problemen in een bredere context te plaatsen. The Ballycastle Declaration verwoordt het poëtisch:

Our vision

We look for a world of non-violent relationships
among women, men and children
between humankind and creation
between ourselves and God

We look for a world where conflicts are resolved whithout violence
where power is found in the enabling strength of solidarity
and not in domination legitimised by force and fear.

We look for a world where all people have the peace
to live and grow in dignity
where all women can discern their worth and competence
where we experience the liberating power of justice and love.

Veel eerder kenden vrouwen van bij ons al het visioen van Joke Smit, getiteld ‘Er is een land waar vrouwen willen wonen'

Er is een land waar vrouwen willen wonen

Er is een land waar vrouwen willen wonen
Waar vrouw-zijn niet betekent: tweederangs en bang en klein
Waar vrouwen niet om mannen concurreren
Maar zusters en geliefden kunnen zijn
Waar rimpels niet de eenzaamheid voorspellen
Maar paspoort zijn naar wijsheid, aanzien, ‘s werelds raadsvrouw zijn
Waar jonge vrouwen dus een leven voorbereiden
Waarin zij veertig, zestig, tachtig zullen zijn

Er is een land waar vrouwen willen wonen
Waar onrecht niet als een natuurgegeven wordt beschouwd
Waar dienstbaarheid niet toevalt naar één sekse
En niet vanzelf een man de leiding houdt
Waar moeder niet hetzelfde is als huisvrouw
Waar steeds opnieuw wordt nagegaan wie zwak zijn en wie sterk
Waar allen zorgen voor wie hulp behoeven
En ‘t brood verdienen met maar vijf uur werk

Er is een land waar mannen willen wonen
Waar jongens van de plicht tot flink en stoer doen zijn bevrijd
Waar niemand wint ten koste van een ander
En man-zijn ook betekent: zorgzaam
Waar angst en rouw niet weggemoffeld worden
Waar mannen zonder baan niet denken dat ze minder zijn
Waar vrouw en man elkaar niet hoeven haten
Maar eindelijk bondgenoten kunnen zijn

Er is een land waar mensen willen wonen
Waar jong zijn niet betekent dat je steeds wordt genegeerd
Waar zwakken met respect benaderd worden
En vreemdelingen niet meer gekleineerd
Waarin geweld door niemand meer geduld wordt
Waar allen kunnen troosten als een mens ten onder gaat
Dat is het land, waar mensen willen wonen
Het land waar samenhorigheid bestaat.

Misschien te lang om al voorbijlopend te kunnen lezen (Habakuk 2:2), daarom heb ik het ook op papier gezet

Gedurende het decennium hebben vrouwen over heel de wereld hun inspanningen over vier thema's verdeeld:

  • Vrouwen en economische rechtvaardigheid,
  • Geweld tegenover vrouwen,
  • Racisme tegenover vrouwen en xenofobie,
  • Deelname van de vrouwen aan alle aspecten van het kerkelijke leven.

Een wellicht nooit eindigend proces van bewustwording, studie van oorzaken en verbanden, formuleren van actiepunten en strategieën en een dringend beroep op de solidariteit van de kerk kwam op gang. Het is ondoenlijk een totaal overzicht te geven van wat in breed oecumenisch verband ontdekt en gerealiseerd werd. Wat volgt is dan ook slechts een bloemlezing per thema van wat vrouwen over heel de wereld tijdens dit decennium bestudeerd hebben en wat ze nog hopen verwezenlijkt te zien.

Vrouwen en economische rechtvaardigheid

Enkele vaststellingen.

In Europa en Noord Amerika hebben de meeste werkende vrouwen de laagst betaalde jobs. Ze zijn sneller slachtoffer van het snijden in de sociale uitgaven en het afslanken of sluiten van bedrijven. Ze verliezen hierdoor niet alleen onmiddellijk inkomen maar ook later pensioen. In Europa werden de problemen veroorzaakt door de plotse ommekeer van het regime in het voormalig Oostblok bestudeerd. Vooral het recht op gezondheidszorg, onderdak en de zorg voor de kinderen komen door allerlei besparende maatregelen fel in de verdrukking, terwijl de wetgever mannen die weigeren hun verantwoordelijkheid voor ex-vrouw en kinderen op te nemen, blijft beschermen.

In ontwikkelingslanden zijn vrouwen dubbel slachtoffer van de economische crisis: In de eerste plaats voor zichzelf als armen zonder opleiding. Daarnaast ook als echtgenoten waarvan de man chronisch werkloos of niet betaald, steeds langer en verder wegtrekt in een vaak vergeefse zoektocht naar werk. De vrouwen dragen dan ook noodgedwongen alleen de zorg voor het overleven van hun gezin, vaak ten koste van hun gezondheid en die van hun kinderen (kinderarbeid, straatkinderen, enz...)

De mondialisering van de economie en de rol van de Wereldbank werden als bronnen van steeds groter dualisering in de samenleving en steeds groter wordende kloof tussen arm en rijk benoemd.

Enkele opdrachten voor de toekomst

De vrouwen vragen de kerken te pleiten:

  • voor het recht op degelijk onderwijs en opleiding, voor meisjes en jonge vrouwen zoals voor jongens
  • voor vrije toegang tot alle beroepen voor wetten die het erfrecht van vrouwen en hun recht op eigendom verzekeren, zoals voor mannen
  • voor de ontwikkeling van economische structuren die waardige werkomstandigheden verzekeren voor iedereen en gelijk loon voor gelijk werk waarborgen.

Wij vragen de kerken nationaal en/of regionaal studiegroepen op te richten om economische vraagstukken en de uitdagingen van de mondialisering te bestuderen. Verder vragen de vrouwen dat de kerken zich aansluiten bij de beweging ‘Jubilee 2000' ter afschaffing of vermindering van de schuldenlast van de armste landen en aandringen op garanties dat de aldus vrijgekomen middelen aangewend worden ter verbetering van de levensomstandigheden van de armsten, in het bijzonder vrouwen en kinderen.

Geweld tegenover vrouwen

Enkele vaststellingen

Eén van de schrijnendste vaststellingen tijdens de ontmoeting met vrouwen van over de hele wereld, hoe verschillend hun status of afkomst ook moge zijn: als de stilte rond geweld tegenover vrouwen doorbroken wordt, noemen ze elkaar ‘zuster'. Het is helaas, een rode draad die hen bindt. Het is ook altijd dichterbij dan we denken:

  • In Zweden wordt elke week een vrouw door haar partner gedood.
  • In Schotland vluchten elke week 50 vrouwen met hun kinderen voor huiselijke terreur,
  • In Duitsland wordt elke drie minuten een kind seksueel misbruikt en elke vier minuten een vrouw verkracht.

De stilte om het thema bij ons, is oorverdovend.

Maar er is niet alleen het huiselijk geweld dat gaat van slagen, opsluitingen, seksueel misbruik tot moord. Er is ook het gecommercialiseerd geweld: vrouwen- en kinderhandel, prostitutie, sekstoerisme. België kan er over meepraten...
Ook niet zo ver van ons is het geweld tegenover vrouwen en kinderen in gevangenissen en in oorlogsomstandigheden: ontvoeringen, verkrachtingen, seksuele slavernij, kind-soldaten. Welke verhalen horen we van onze vluchtelingen uit Joegoslavië en Sierra Leone? Verder is er ook het structureel en cultuurgebonden geweld: Misbruiken rond de bruidsschat, gedwongen sterilisatie en abortus, genitale verminking. Allemaal geen redenen voor asielaanvraag?
Bij het bespreken van de andere drie thema's zijn ook daar telkens weer andere, subtielere vormen van geweld aan de orde: discriminatie, uitsluiting, uitbuiting, enz...

Enkele opdrachten voor de toekomst

Als Gods beeld ook in de vrouw aanwezig is, dan is alles wat haar wordt aangedaan ook de Heer zelf aangedaan. Herlees het vorige paragraafje eens in die optiek, dan begrijpt u met welk recht de vrouwen solidariteit van de kerken verwachten. Met aandrang vragen zij:

  • de stilte te verbreken over huiselijk en gecommercialiseerd geweld en zich openlijk te bekommeren om slachtoffers en daders.
    zich niet langer afzijdig te houden of de andere kant op te kijken bij structureel en cultuurgebonden geweld. Cultuur is geen statisch gegeven en precies het Evangelie geeft ons de bevrijdende kracht om de gangbare cultuur te beïnvloeden.
    De kerk heeft bovendien de dringende taak:
  • het geweld te boven te komen binnen haar eigen geledingen, in haar relaties, haar taalgebruik en haar uitleg van de Bijbel en hardop en duidelijk geweld zonde te noemen, zoals zij eerder andere sociale kwalen zonde genoemd heeft;
  • het streven naar consensusoplossingen aan te moedigen;
  • studies op te zetten over bemiddeling en geweldloos conflicten oplossen.

Vrouwen willen er niet langer alleen voor staan maar vragen kerken hun advocaat te zijn, veilige ruimten voor hen te creëren en vluchthuizen te ondersteunen. Ze zijn er zich van bewust dat ook mannen slachtoffer zijn van geweld. Daarom ondersteunen ze ook krachtig de programma's van de Wereldraad van Kerken en het afgekondigde decennium: ‘To Overcome Violence' wat ik liever vertaal als ‘Geweld te boven komen' dan als ‘Geweld overwinnen', voor wie de nuance begrijpt.

Racisme tegenover vrouwen en xenofobie

Enkele vaststellingen

Prangende vraag die is blijven hangen: Hebben de kerken en de vrouwenbeweging tijdens dit decennium voldoende aandacht besteed aan de problemen van onderdrukking en uitbuiting van vrouwen van inheemse minderheden, migrantenvrouwen, vluchtelingenvrouwen. Of zoals Mukami Mc Crum het formuleerde: ‘Het komt waarschijnlijk niet in u op stenen door een raam te gooien, gevels met beledigende graffiti te bespuiten, een vrouw in haar gezicht te spuwen of haar aan te vallen, Maar vergeet niet die permanente, sluipende vorm van racisme die er in bestaat uit te sluiten in het kerkelijke leven en te negeren, dat zo velen van ons zo pijnlijk ervaren.' En een beetje cynisch vervolgt ze: ‘Hoe kunnen mensen, die zo opvallen door hun kleur, zo onzichtbaar zijn.'

Voor het analyseren van het effect van racisme op vrouwen en het verband tussen seksisme en racisme, geeft het dossier: ‘Comprendre le racisme aujourd'hui' van de Wereldraad van Kerken een goede aanzet.

Enkele opdrachten voor de toekomst

Als wij belijden dat wij één zijn in Jezus Christus, dan is er voor racisme en etnocentrisme geen plaats in het huis van God. De kerk moet krachtig(er) spreken:

  • tegen etnische zuiveringen als in Rwanda en Kosovo;
  • tegen wreedheden begaan tegen bepaalde kasten als in India;
  • tegen vreemdelingenhaat en volkerenmoord.

Ze moet zorgvuldiger waken over haar lering en voorkomen dat de Bijbel telkens weer misbruikt wordt om racisme en etnocentrisme te legitimeren, zoals in het verleden de slavenhandel en apartheid. Onderdrukkende en racistische theologieën moeten ontmaskerd worden. Het is duidelijk dat vrouwen er zich van bewust zijn dat ook mannen lijden onder racisme en xenofobie, maar vrouwen en kinderen hebben nog minder verweer en zijn nog kwetsbaarder in hun lijf. De Latijns-Amerikaanse vrouwen formuleren het zo: ‘Wij hebben behoefte aan een nieuwe theologie die multiraciaal, multicultureel en bevrijdend is.'

Deelname van de vrouwen aan alle aspecten van het kerkelijk leven

Enkele vaststellingen

Het decennium heeft er toe bijgedragen het proces van de besluitvorming en de machtsstructuren van onze kerken kritisch te bekijken en hun gebrek aan openheid en doorzichtigheid vast te stellen. Op vele plaatsen blijven vrouwen onzichtbaar of worden ze over het hoofd gezien, terwijl een kerkelijke gemeenschap toch altijd een gemeenschap van mannen en vrouwen zou moeten zijn. Het is Metropoliet Ambrosius d' Oulu uit Finland die het zegt. En hij concludeert na afsluiting van het decennium: ‘Blijkbaar is geen enkele regio vrij van verborgen agenda die er toe leiden dat vrouwen uitgesloten of gemarginaliseerd worden.'

Dat een aantal kerken zoals de Orthodoxe, weigert vrouwen in het predikambt in te zegenen ‘niet nu en niet later', blijft onverteerbaar voor de vrouwen in de andere kerken. Dat ze ook manifest weigert meer vrouwen in de besluitvorming te betrekken, blijft schrijnend. Doch door deze kerken met de vinger te wijzen, denken zelf vrijuit te gaan, is al te gemakkelijk. Ook in protestantse, anglicaanse, evangelische en andere kerken en bewegingen blijft het delen van verantwoordelijkheid en beslissingsmacht iets dat telkens weer moet afgedwongen worden en dat nog altijd aanleiding geeft tot ‘zure' grapjes en hilariteit.

Enkele opdrachten voor de toekomst

Vrouwen van alle kerken, ook de orthodoxe, vragen:

  • waardering en respect voor de bijdrage van vrouwen aan het kerkelijk- en gemeenteleven;
    een beleid van positieve discriminatie (= bij gelijkwaardige kandidaten voorrang aan de vrouwen) om een evenwicht tussen mannen en vrouwen te realiseren in beleidsorganen en functies die in de kerk uitgeoefend worden.
  • opvoeding en catechese voor meisjes en jongens, die hen voorbereid op een rechtvaardige, inclusieve samenleving, waarin mannen en vrouwen op dezelfde wijze verantwoordelijk zijn voor de kerk;
    theologische vorming en programma's zo opzetten dat ook recht gedaan wordt aan de stem, de belevingswereld, de ervaringen en de spiritualiteit van vrouwen;
  • werken aan een liturgische vormgeving en taalgebruik, waardoor alle aanwezigen, vrouwen en mannen, zich bevestigd en aanvaard weten.

Al deze voorstellen werden door de assemblee aanvaard, met een kleine maar betekenisvolle toevoeging: ‘Indien dit strookt met het beeld dat de kerken van zichzelf hebben.' Met andere woorden: Als het over de inzegening van vrouwen en over inclusief taalgebruik gaat, is er geen aanzet tot verandering te verwachten.

Jong en ouder

Eén van de ontroerendste en meest geslaagde vieringen op het Festival dat het decennium ‘Kerken Solidair met Vrouwen' afsloot, was de confronterende avond ‘Jong en Ouder' door de 20 procent aanwezige jonge vrouwen georganiseerd.
Aan de vooravond van een nieuwe eeuw is het goed hun het laatste woord te gunnen:
‘We moeten er niet naar streven om de mannen te gaan vervoegen in hun systeem van dominantie en onderdrukking. We moeten vasthouden aan ons visioen van een ander samenlevingsmodel waarin macht zo ver mogelijk gedeeld wordt en elke stem gehoord wordt, waarin een verantwoordelijke functie opnemen betekent, de ander helpen zich verder te ontplooien, waarin jongeren niet alleen de toekomst zijn, maar ook het heden.'

Bron: Jeannine Rogier (°1942) werkte als onderwijzeres en daarna als schoolhoofd in het bijzonder onderwijs. Was afgevaardigde van het district Oost-West Vlaanderen in de synodale raad van de VPKB (1986-1994). Was één van de afgevaardigden naar de 8ste Assemblee van de Wereldraad van Kerken in Harare Zimbabwe (1998). Daar werd zij verkozen in het centraal comité.

Bron: Dr. G. Liagre (red.), Pastor in de weer.

Voetnoot
(1) Bronnen:
Lettres Vivantes, tussentijds verslag van de evolutie van het decennium; verschenen in 1997.
Together with courage: Women and men living without violence against women, ecumenical Decade of the Churches in Solidarity with Women - World Council of Churches, Geneva.
Aanvaarde documenten van de achtste Assemblee van de WRK, bijlage 3 p. 62 vv. Brief aan de achtste Assemblee vanwege de vrouwen en mannen van het festival van het Decennium Kerken Solidair met Vrouwen.
Aanvaarde documenten van de achtste Assemblee van de WRK, p. 52. Antwoord ter vergadering.
Documenten voorgesteld tijdens de vergadering (vertaling uit het Engels)DE 1: Despina D. Prasas, La mémoire.
DE 2: Biasima Lala, Les femmes et la justice économique.
DE 3: Deenabandhu Manchala, La violence à l'encontre des femmes.
DE 4: Mucami Mc Crum, Le racisme envers les femmes.
DE 5: Metropolite Ambrosius d' Oulu, La participation des femmes á la vie de l'église,
DE 6: Bertrice Y. Wood, Signes d'espoir et signes de désespoir.
DE 7: Bertrice Y. Wood, Le voyage continue.

Dossier: Comprendre le racisme aujourd'hui; Justice, Paix et Création, nov. 1998. (voorlopig document).
Violence against women in Zimbabwe- report of the Musasa project 1997.
Together on holy ground, p. 19 vv.
Carol J. Fouke, Women challenge the church, Genèva, 1999.

‘Decennium' lijkt mij correcter dan het door vele Vlamingen en Nederlanders onder Angelsaksische invloed gebruikte ‘Decade' Zie ook: Van Daele - ‘Decade' en ‘Decennium

IV ‘Moeder Aarde' en het lichaam van God
een beschouwing over metaforische theologie

Heeft u ‘Belgique toujours grande et belle' gezien? Het boek trekt onmiddellijk de aandacht door de uitdagende fotografische collage die op de voorkant prijkt. Men ziet twee borsten en een arm waarop een pasgeboren kind rust dat aan een van de tepels zuigt. Die is zwart-rood-geel getint, als enige kleur op de zwart-wit afbeelding. Alleen het bovenlichaam van de vrouw is afgebeeld, het hoofd is bij de romp afgesneden. De boreling daarentegen kijkt u rechtsreeks aan, met pientere oogopslag. Vanwaar het onbehagen? De bedoeling is immers duidelijk: de moeder komt voor in de Franstalige versie van het Belgisch volkslied. De aanhef van de eerste strofe van ‘La brabançonne' luidt als volgt : ‘Ô Belgique chérie, ô mère chérie'. De foto komt dus slechts neer op de optische ‘vertaling' van de beschrijving van de natie als ‘moederland'. Desalniettemin lijkt het mij de moeite waard de spontane reactie van afwijzing die ik bij deze fotomontage voelde nader te onderzoeken en in een ietwat breder raam te plaatsen.

Niet alle metaforen zijn even geschikt

Ten eerste wordt m.i op deze voorpagina een persoon tot een naamloze functie gereduceerd. Daardoor wordt tekort gedaan aan de menselijkheid die Emmanuel Kant in het tweede categorisch imperatief voor ogen stond, namelijk zo te handelen dat je de eigen menselijkheid en die van de ander als doel, nooit als middel behandelt. Ten tweede kan men tenminste het vanzelfsprekende dat door de visuele boodschap wordt overgedragen, ontzenuwen. Natuurlijk gaat het om een overdrachtelijke (metaforische) uitdrukking. Maar niet alle metaforen zijn even geschikt! Zo heb ik de woorden van Willem Barnard, ‘[God], wij eten uit uw hand' in het Liedboek van de kerken nooit met overtuiging kunnen zingen. Waarschijnlijk heeft die uitdrukking een (onbedoeld) komisch effect vanwege de gedachteassociatie met bekende zinsneden: ‘het eekhoorntje eet uit de hand van het kind', of: ‘na een half uur palaveren was de politieagent zo murw dat hij uit onze hand at'. Metaforen moeten liefst een perspectief openen en geen kleinerende beelden oproepen.

Het begrip ‘metafoor'

De titel van dit artikel vermeldt twee metaforen. De eerste is ontleend aan het spraakgebruik van ecologie en milieubescherming, waar veelvuldig wordt verwezen naar Moeder Aarde, ook wel vereenzelvigd met de aardgodin Gaga (Gaian). De tweede uitdrukking stamt van de Amerikaanse theologe Sallie McFague. Zij streeft ernaar een positieve betekenis toe te kennen aan de lichamelijkheid en oppert de gedachte dat de aardse werkelijkheid beter gewaardeerd wordt indien men aanneemt dat God de schepping bemint en nodig heeft zoals een mens haar of zijn eigen lichaam.

Maar voordat we deze sporen volgen, moeten we ons eerst afvragen wat men eigenlijk verstaat onder het begrip ‘metafoor'. Het wordt algemeen gebruikt voor vele zegswijzen die op de een of de andere manier figuurlijk zijn. Het Griekse werkwoord metaphorein betekent ‘naar elders wegbrengen'. Men kan ook zeggen: voortbrengen of baren, want pherein (Grieks) en ferre (dragen, in het Latijn) zijn misschien verwant met beran (Oudengels en Oudhoogduits). Overdrachtelijk kan men stellen dat de metafoor de ‘moeder' van de ver-beelding is. Om een gevoel, een voorwerp of een proces nader te omschrijven leent men een woord uit een ander zinsverband en draagt het over op datgene wat men verwoorden wil. Een kenmerk van metaforisch spreken is het woordje als. Expliciet of onuitgesproken aanwezig signaleert het de noodzakelijke dubbelzinnigheid die de metafoor mogelijk maakt. Men beschrijft iets als ware het iets anders. Het beschrevene is en is niet gelijk aan het ontleende begrip.

Bewaar mij als de appel van het oog,
Berg mij in de schaduw van uw vleugelen
(Psalm 17,8)

Wat in het gesproken of geschreven woord zonder meer wordt begrepen is het spel van tegelijkertijd is/is niet. De speling of vrije ruimte wordt door het woordje ‘als' geschapen. Een foto, voorzover het zich als pseudo-realistisch medium opwerpt, schenkt niet dezelfde ruimte. Omdat het zélf beeld is, wordt het verbeeldingsvermogen van de kijker gekortwiekt. Een foto die een metafoor realistisch voorstelt, zoals de voorpagina van ‘Belgique toujours grande et belle' dit doet, wekt een polemische reactie op. Want het benadrukt het moment van het ‘is', waardoor wij genoodzaakt zijn het ‘is niet' karakter te onderstrepen. Een vrouw is geen abstract begrip; het idee van de soevereine natie kan niet letterlijk vereenzelvigd worden met een moeder. Roland Barthes heeft meer dan veertig jaar geleden op humorvolle manier de bedenkelijke, deels verborgen macht van het beeld uiteengezet, zoals die voor propaganda, voor volksvertier en reclamedoeleinden wordt gebruikt.

De taal van de liefde

De taal van de liefde is bijzonder vindingrijk en een onuitputtelijke bron van metaforen, zoals het Hooglied wel bewijst. En de meest eigenlijke manier om tot en over God te spreken is de ‘oneigenlijke' wijze van de metafoor. Zo zijn er talloze verbindingen tussen de taal der minne en godsdienstige taal. Deze overtuiging ligt ten grondslag aan de beslissing een geestelijke betekenis aan het Lied der liederen toe te kennen. Nu bestaan er over oorsprong en betekenis van het Hooglied talrijke zeer uiteenlopende opvattingen; ik ga er van uit dat het oorspronkelijk een gedicht over menselijke geliefden was, dat vrij snel een bijkomende theologische interpretatie kreeg.

Wie is zij, die opgaat als de dageraad,
schoon als de blanke maan,
stralend als de gloeiende zon,
geducht als krijgsscharen?
(Hooglied 6,10)

Dit is niet alleen idyllisch; ook de tragiek van de onvervulde verwachting wordt verbeeld. Traditioneel in de geestelijke uitleg van het Hooglied was de menselijke partner de vrouw, zoals later Kerk de bruid van Christus, de bruidegom was. Echter, een van de meest verrassende aspecten van deze tekst is het voorstellen van een ongedwongen en creatieve liefde. De rolpatronen die het initiatief aan de man en lijdzaamheid aan de vrouw opleggen, zijn hier buiten werking gezet. De schrijver van het Hooglied was misschien een schrijfster, volgens recent onderzoek: ‘Romance, She Wrote'. Zij trekt er op uit hém te zoeken: ‘ik zocht hem, maar vond hem niet. De wachters, die in de stad hun ronde deden, troffen mij aan: Hebt gij ook mijn zielsbeminde gezien?' (3,2). Later zoekt hij op zijn beurt ‘mijn zuster, mijn liefste, mijn duive, mijn volmaakte' en zij antwoordt zijn roep, maar te laat. Wanneer zij hem wil terugvinden, komt de buitenwereld hardhandig tussenbeide. ‘De wachters, die in de stad hun ronde deden, troffen mij aan, zij sloegen mij, verwondden mij, zij rukten mij het overkleed af, de wachters der muren' (5,2-7).

Lezers van de Bijbel zullen hierbij onwillekeurig denken aan een andere vrouwelijke gestalte die op zoek is naar een mens en er niet voor terugdeinst om met nadruk te werven. Over de Wijsheid, goddelijke hypostase, horen we het volgende: ‘De Wijsheid roept luide op straat, op de pleinen verheft zij haar stem...' Tevergeefs. Een bekende gelijkenis in de synoptische evangeliën vertelt eveneens van minachting en verwerping. Dit keer een zoon (de Zoon), die door moorddadige wijnpachters wordt gegrepen.

In het ‘Lied der liederen' zien we een vrouw en een man die door de liefde tot scheppers van nieuwe metaforen worden. Geen wonder dat het gedicht talloze mensen heeft geïnspireerd, bijvoorbeeld twee verschillende persoonlijkheden als Theresa van Ávila (°1515-1582) en haar discipel, Juan de la Cruz. Op Jan van het Kruis en zijn ‘Geestelijk Hooglied' komen we nog terug. Ondertussen moet duidelijk zijn geworden dat het spreken in metaforen een goed ingeburgerde taalvorm is, die dient om over de schoonheid en de liefde van de andere te spreken, of de Andere.

De metafoor ‘Moeder Aarde'

Ook het gegeven van de natuur, c.q de schepping, wordt door middel van overdrachtelijke uitdrukkingen benaderd. Met de metaforen ‘Moeder Aarde' of ‘lichaam van God' beoogt men natuurlijk niet een natuurwetenschappelijk oordeel. Wat hier tot uitdrukking komt is een veronderstelde relatie. Onze voorkeur gaat uit naar de tweede metafoor, die ons de ogen opent voor een mogelijke relatie tussen ons ‘vleesgeworden' bestaan en de scheppende liefde van God. Men kan echter niet zonder meer één metafoor afwijzen en een ander legitiem achten. Juister is, te onderzoeken hoe ze functioneren en in welk breder verband.

Radicale voorstanders van de ecologische omkeer en inkeer reageren afwijzend tegen de - deels vermeende, deels feitelijke - christelijke medeplichtigheid aan de massale roofbouw op de aarde. Het Westen heeft zich van oudsher beroepen op de opdracht ‘Vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt' in Genesis 1:28 (terwijl men zeer zelden praktische conclusies aan vers 29:30 heeft verbonden). Men beschouwde dit als een vrijbrief voor de mens om van Godswege de natuur te domineren en uit te buiten. Dieren, planten, water en grondstoffen stonden in onbeperkte hoeveelheden ter beschikking van de mens. De mens putte daaruit als uit de voorraadschuur die een goddelijke Voorzienigheid zou hebben geschonken. Lang gold de mens als eenzaam middelpunt van het universum, als het verwend kind om wie het allemaal draait. Het is deze antropocentrische visie op de kosmos die binnen de recente ecologische bewustwording sinds enkele decennia aan radicale kritiek wordt onderworpen.

Een nieuwe metafoor wordt voortaan gebezigd om de relatie die men wél wenselijk acht uit te drukken. In het middelpunt dient niet meer één enkele levensvorm (homo sapiens) te staan, maar het Leven. Dit is de strekking van de nieuwe namen voor de aarde en haar capaciteit leven voort te brengen: ‘Moeder Aarde' of Gaia. Kies voor je moeder, aldus een leus uit de verkiezingscampagne van Agalev, met het nieuwe cliché van de aarde als witgroenblauwe ballon die lijkt te zweven tegen een donkere achtergrond. Matthew Fox vergelijkt de massale aanranding van de aarde met een kosmische Goede Vrijdag. In zijn boek The Coming of the Cosmic Christ: The Healing of Mother Earth and the Birth of a Global Renaissance kreeg hoofdstuk 21 de titel ‘Jesus as Mother Earth Crucified and Resurrected '.
Net zoals ‘Moeder' is ‘Gaia' een personificatie van de planeet aarde. De ‘Gaia hypothese' werd een tiental jaar geleden door James Lovelock geformuleerd, in zijn boek The Ages of Gaia: a Biography of Our Living Earth. Hij gaf uiting aan een vrij verbreid maar niet onomstreden denkbeeld: dat van de aarde (Gaia genoemd) als een levend organisme dat zichzelf reguleert. De naam Gaea, in het Grieks Gaia of Gé, komt voor in de Theogonie van Hesiodus en verwijst naar de Aarde als godin, de eerste en oudste der goden, die ontsprongen is aan Chaos.
Men kan gevoelig zijn voor het appel aan het geweten om de gangbare opvattingen over milieu, over energie, over de absolute superioriteit van het mensensoort te herzien, en een betere praxis te ontwikkelen waardoor ook de komende generaties op aarde kunnen leven. Velen zijn er reeds van overtuigd dat tenzij de mentaliteit en het gedrag van (vooral) de westerlingen drastisch veranderen, we in de komende eeuw een woestenij van de aarde zullen hebben gemaakt. Minder planten betekent een drogere, verstikkende omgeving, verschroeid door de zon die niet meer afdoende gefilterd wordt door de geschonden ozonlaag. Niettemin herhalen we de kritische opmerking uit de inleiding: niet iedere metafoor is geschikt. Bepaalde associaties kunnen onbedoeld averechts werken. In plaats van een bevrijdend perspectief wordt met de metafoor ‘Moeder Aarde' misschien juist het tegendeel geschapen: een infantiel wereldbeeld, in de greep van een oeverloos schuldbewustzijn, en gekleurd door de regressieve weemoed naar een verloren paradijselijke onschuld en het ongebroken één zijn met de ongerepte oernatuur. We zullen proberen aan te tonen dat het model of de metafoor van Sallie McFague weliswaar binnen de context van de ‘ecotheologie' is ontstaan, maar dat het het zinnebeeld van de schepping als ‘lichaam van God' niet de bovengenoemde verlammende sentimenten hoeft op te roepen.

De joodse en christelijke interpretatie van de Schepping

Omwille van de beknoptheid vatten we hier een reeks vragen samen die stellig uitgebreider en genuanceerder uiteengezet dienen te worden. Samenvattend kunnen we evenwel zeggen dat de joodse en christelijke interpretatie van de Schepping als ‘scheiding' een bevrijdende functie heeft gehad ten opzichte van de heidense waarneming van de realiteit. In plaats van een volledige beslagname van natuur en cultuur door de goden geven de Schriften ruimte voor het relatief autonome handelen van de mensen. Een vers dat ik graag citeer geeft blijk van deze nuchtere benadering:

De hemel is de hemel van de Here,
maar de aarde heeft Hij de mensenkinderen gegeven
(Psalm 115,16).

Daarmee was de baan vrijgemaakt voor de opkomst van de natuurwetenschappen, de techniek en de moderne technologie. Hierover leze men bijvoorbeeld de verhelderende analyse van de Franse filosoof Marcel Gauchet, Le désenchantement du monde. Secularisatie is voor Gauchet het rechtstreekse gevolg van het geloof (eerst binnen het jodendom, daarna tevens in de christenheid) als ‘uittocht uit de religie'. Lang voor hem - in 1964 - had Arend Th. van Leeuwen gewezen op dit fundamentele aspect van de joodse en de christelijke godsdienst, in een hoogst interessant boek, Christianity in World History. Bij van Leeuwen is de specifieke bijdrage van Israël en later eveneens die van het christendom beschreven als de strijd tegen de zogenaamde ‘ontocratie'. Ontocratisch denken is sacraal; het sluit het menselijk denken en doen op in het harnas van één enkele overkoepelende en totalitaire visie op de kosmos. Een typisch ontocratisch denkbeeld is de mythe van de cyclische, eeuwige terugkeer van alle dingen. De theologische opvattingen die deels de impuls gaven voor het zogenaamde ‘moderne' denken, deels er zelf de vrucht van zijn, zijn overwegend onmythisch. Zij bestrijden de sacrale visie van het heelal en kunnen daardoor op hun beurt aan het tegenovergestelde euvel gaan lijden: de overtrokken scheiding tussen God en mens, tussen cultuur en natuur, tussen geest en lichaam. Het zij nadrukkelijk gezegd: deze separatie was in zekere mate goed en onmisbaar, en in ieder geval de drijfveer van het dynamisme van de westerse beschaving, omdat het ruimte schonk aan de vrije wil van de mens. In de terminale fase van de post-industriële samenleving moet men helaas de negatieve gevolgen van dit wereldbeeld onderstrepen. De ecologische theologie van McFague beoogt door middel van nieuwe/oude metaforen de breuk te genezen tussen geest en lichamelijkheid. En het ligt voor de hand, meen ik, dat het grootste risico in deze alternatieve denkwijze het gevaar is opnieuw te vervallen in het éénheidsdenken, het sacrale of ontocratische waarnemen van alle natuurlijke verschijnselen. Polemisch toegespitst: als ieder struikje en iedere boom ‘bezield' zijn, waar blijft dan de bewegingsvrijheid van de mens? Vanzelfsprekend is McFague ervan overtuigd dat de voordelen van een theologie van het ‘lichaam van God' zwaarder wegen dan de mogelijke nadelen.

Het ‘lichaam van God'

Wanneer sprake is van het ‘lichaam van God', wordt daarmee niet letterlijk een antropomorf (mensvormig) Godsbeeld bedoeld. Juister zou zijn beroep te doen aan de taal der liefde, die zoals we met betrekking tot het Hooglied al opmerkten, vanouds affiniteiten bezit met de mystieke ervaringen van het goddelijke. Men denke evenmin aan één ideaal lichaam, zoals het door da Vinci bijna als een paradigma is afgebeeld: U kent zeker die afbeelding van een naakt mannenlichaam met de gestrekte ledematen. Hetgeen bedoeld is als uiting van verwondering over de schoonheid-in-harmonie van het menselijk lichaam kán ten langen leste het overgrote deel van de mensheid beneden waarde schatten - met name alle vrouwen, omdat bij da Vinci menszijn en mannelijkheid lijken samen te vallen. Maar, zo vraagt McFague, als het organische model nu eens niet zou uitgaan van een menselijk (mannelijk of vrouwelijk) lichaam, maar van lichamen in het algemeen, die bonte, vreemde veelheid aan lichamen (materie in al zijn miljoenen of misschien wel miljarden verschijningsvormen), die samen het heelal vormen?

De plaats van het menselijk wezen

Dat roept een andere vraag op: wat is de plaats van het menselijk wezen temidden van deze veelvoud? Een hoger diersoort dat zo langzamerhand de ultieme parasiet van de planeet wordt, door een ongekende agressiviteit jegens andere dieren en de plantenwereld? Dus ‘weg met ons' dan maar? Dit pessimisme deelt McFague niet. Wel is zij van mening dat enkele fnuikende misvattingen over onze vooraanstaande plaats aan de kaak moeten worden gesteld. ‘We moeten, zeker in godsdienstige zin, niet langer over onszelf praten als over kinderen, passieve, behoeftige kinderen van een liefhebbende en almachtige vader die voor ons en voor onze planeet zal zorgen [...]. We moeten worden wie we werkelijk zijn: niet de eigenaars en ook niet de belangrijkste bewoners van de aarde, maar verantwoordelijke volwassenen, de enige soort op aarde die het collectieve scheppingsverhaal kent en de rol van hoeder van het aardse welzijn op zich kan nemen.' Een dergelijke antropologie of leer van de mens zoekt voortaan een evenwicht tussen het klassieke gegeven van de waardigheid van de mens en een nieuw besef van bescheidenheid dat in de ‘spiritualiteit van de schepping' een belangrijk motief is.

Voor de theologie in het algemeen houdt dit mensbeeld de volgende noties in, aldus McFague. ‘Dankbaarheid voor het geschenk van dit leven, in plaats van een verlangen naar het eeuwige leven; het einde van dualistische hiërarchieën, ook tussen mens en natuur; waardering voor de individualiteit van alles en iedereen, in plaats van een verheerlijking van menselijk individualisme; aandacht voor de radicale onderlinge verbondenheid en afhankelijkheid van al het bestaande; bereidheid verantwoordelijkheid op te nemen voor alle vormen van leven en voor het ecosysteem, als hoeders en compagnons van de aarde; erkenning van het feit dat heil een lichamelijke en een spirituele kant heeft, en dat het daarom noodzakelijk is de middelen van het bestaan te delen, en tenslotte dat zonde de weigering is om genoegen te nemen met de plaats die ons toekomt.'

Wie als ds. Schouten begaan is met lijdende mensen, zij het asielzoekers, jonge prostituees, zieken of gedetineerden, kan wel eens de wanhoop nabij zijn omdat het kwaad zo veelvormig en hardnekkig is. Het volstaat dan niet te verwijzen naar de schoonheid van het ‘lichaam van God' in de oneindige rijkdom van de natuur. In het diaconaat en pastoraat is men genoodzaakt zich te laten inspireren door het geschonden lichaam van God, namelijk dat van Jezus die wij ‘Christus' noemen. ‘Er is een groot verschil tussen het plaatsvervangende zoenoffer, waarin de Zoon lijdt voor de zonde van de wereld, en het model van God als lichaam waarbinnen onze lichamen leven, die met ons meelijdt, en onze pijn en wanhoop voelt. Wanneer wij ons in navolging van Jezus' paradigmatische optreden actief hebben ingezet voor de integratie van de buitengesloten lichamen, maar niettemin gefaald hebben, zijn wij niet aan ons lot overgelaten, zelfs dan niet. En de buitengesloten, verstoten lichamen waarvoor we ons inspanden zijn geborgen in en worden getroost door de kosmische Christus, het lichaam van God volgens het Christusparadigma.'

De grootse visie van de kosmische Christus

Zoals we zien bestaan er duidelijke verbindingen tussen de grootse visie van de kosmische Christus die ‘alles in allen' wil worden, en de gestalte van de gehavende Jezus van de geschiedenis. De esthetische of contemplatieve stroming is niet totaal losstaand van de ethiek en de ‘vita activa'. Hoe deze aspecten in elkaar grijpen beschrijft McFague in de volgende paragraaf glashelder. ‘De onmiddellijke en concrete ervaring van de kosmische Christus - God met ons in vrijheid en tegenspoed - is de eerste laag in de reikwijdte van Gods lichaam. Maar de metafoor veronderstelt nog twee andere dimensies waarnaar wij zorgvuldig moeten kijken. De ene is de relatie tussen schepping en verlossing, waarin verlossing de bestemming van de schepping is, en de schepping de plaats waar het heil zich voltrekt. De metafoor van de kosmische Christus suggereert dat de kosmos zich beweegt in de richting van verlossing en dat deze verlossing zich in de schepping aan het voltrekken is.'

De mystiek heeft ten allen tijde oog gehad voor de integrale ‘heling' van het leven. Niets is onverschillig voor het hart van God, dat is het inzicht dat de mystica en de mysticus mogen ervaren nadat ze in de nacht van de duisternis de onthechting hebben aanvaard. Deze paradox is essentieel voor het juiste begrip van de Spaanse mystiek van de zestiende eeuw. Op deze manier onderscheidt de metafoor ‘lichaam van God' zich van een simpel pantheïsme of een terugkeer naar een veronderstelde heidense eenvoud. Een hedendaagse beschouwing over de proza en poëzie van Jan van het Kruis belicht zowel de pijn als de vreugde van de mystieke ‘nacht'. Maaike de Haardt en Frans Maas schrijven: ‘Dat ‘andere' is in staat een mens weg te lokken uit de middelmatigheid en hem of haar te doordringen met overstelpende schoonheid en glans. Zo verlokt en bevrijdt God. [...] Het gaat in dat andere niet om een miraculeuze ‘deus ex machina' die onze aardse werkelijkheid opzij zou zetten. [...] God en zijn werk is God, zegt Juan de la Cruz zonder terughoudenheid.'

Behalve het gedicht ‘De Donkere Nacht' halen de auteurs nog een ander befaamd stuk van Juan de la Cruz aan. Het is zijn zeer persoonlijke interpretatie van het Lied der Liederen, namelijk ‘Het Geestelijk Hooglied', een tekst die behoort tot de gouden eeuw van de Spaanse literatuur. Zij schrijven hierover het volgende dat nauw aansluit bij de ecologische theologie van Sallie McFague. ‘Nadat de mens het natuurschoon is voorbijgegaan - omdat het nu eenmaal slechts een spoor van de Beminde is en niet de Beminde - komt de zoektocht op een punt dat de mens al datgene terugkrijgt wat hij achtergelaten heeft. ‘Mijn Welbeminde, het bergland, de dichtbeboste, eenzame valleien...''. Voor alle duidelijkheid zegt Jan van het Kruis, in het commentaar op zijn eigen gedicht, dat de mens nu ervaart dat God al deze werkelijkheden is. ‘Wat hier gezegd wordt over wat de ziel ervaart moet dus niet worden opgevat in de zin van: de werkelijkheden zien in het licht of de schepselen zien in God. Nee, in dit bezitten van God ervaart de ziel dat God al deze werkelijkheden is.'

Metaforisch of symbolisch spreken over God is bijna een pleonasme: hoe zullen we anders over ‘God' of G.d spreken dan overdrachtelijk en indirect? Dat is het onmisbare voorteken bij al hetgeen wij trachten in woorden vast te leggen van de goddelijke openbaring. Net zo duidelijk moet worden gesteld dat een metafoor niet ‘alleen maar een metafoor' is.

Voor zover het een geschikte en sprekende metafoor is, bezit die wel degelijk de mogelijkheid waarachtig iets te doen ervaren van een ongrijpbare waarheid. Misschien is de bedding voor die ervaring nog steeds de liturgie van de gemeenschap der gelovigen.

Eeuwige Geest,
Maker van de aarde, Drager van pijn, Gever van leven,
Bron van al wat is en zal zijn,
Vader en Moeder van ons allen,
Liefhebbende God, in wie de hemel is:
Moge de heiliging van uw naam weerklinken door het heelal!
Moge de weg van uw gerechtigheid
bewandeld worden door de volkeren van de aarde.

Auteur: Anne Marie Reijnen (°1957) promoveerde in 1996 tot doctor in de protestantse godgeleerdheid. Zij was predikant in Brussel-Laken (1986-1991). Sinds 1998 hoogleraar aan de Universitaire Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel. Ze doceert er naast dogmatiek ook ethiek en geschiedenis van het christendom.

Bron: Dr. G. Liagre (red.), Pastor in de weer.

Voetnoten van dit laatste gedeelte, onderdeel IV, werden niet opgenomen, daar de tekst de maximale grootte overschreed (Webmaster).


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be