Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

Onze Vader in de hemelen

Inleiding

Zijn gebed, het gebed des Heren, worden in de komende Kerkmozaïek nummers bede voor bede belicht, in de hoop dat u er iets aan hebt voor de ‘(re-)constructie van uw eigen leven’. Het leven wordt immers voorwaarts geleefd, maar slechts achteromziend begrepen.

Onze Vader in de hemelen

Het Onze Vader is het christelijke gebed bij uitstek. “Bidt alzo” zei Jezus. (Matt.6:9) Betekent dit nu dat we niet anders dan alzo kunnen bidden? Nee, alzo betekent ‘op die manier’. Misschien niet letterlijk alzo, maar dan toch in de geest van, geïnspireerd door.

Onze Vader
Jezus leert ons tot God als Vader te bidden. In de Bergrede, daar waar het Onze Vader in terug te vinden is, wordt over God 17 keer als Vader gesproken op een totaal van meer dan 200 keer in het N.T. In het O.T. vinden we God als Vader ‘slechts’ 15 keer terug. Je zou kunnen zeggen dat God als Vader het ‘tegoed’ is van het N.T., het kenmerkende. Jezus heeft ons God als Vader leren kennen en spreekt gelovigen aan als kinderen, broeders en zusters; beelden voor een hechte relatie. Trouwens, het is niet enkel Vader, maar onze Vader. Waarbij dat ‘onze’ niet exclusief bedoeld is en wij dan een gelovige elite zijn die het privilege heeft God als Vader aan te spreken. Alsof onze God niet de Vader is van allen. Net daarom bid je het als gelovige voor iedereen en samen, ook voor hen die niet kunnen bidden, die de woorden niet meer vinden.

Die in de Hemelen is
Ja, is de intimiteit nu al afgelopen? De Hemelen (want in de oorspronkelijke tekst staat de hemel in het meervoud) worden meestal ver weg gedacht en gevoeld. Matteus gebruikt graag het meervoud. Hij doet dit om zo dicht mogelijk bij het bijbels Hebreeuws te blijven. En in die taal klinkt de Hemel niet van op een afstand, maar staat voor het ‘andere’, voor dat wat van God is. Het staat voor licht, voor wat radicaal goed is. Zo radicaal anders dat het niet van deze aarde kan zijn.

Bron: Ds. Edwin DELEN (Kerkmozaïek Februari 2010)

Uw Naam worde geheiligd
Het overkomt iemand op de meest onverwachte momenten…
Tijdens of na de vertrouwde zondagse viering staat er plots iemand voor je die een beroep doet op je hulp in zijn Naam. Op zo een moment bots je, ondanks al je goede bedoelingen, op een hoop praktische problemen en op grotere, maatschappelijke processen waar je als gelovige zo weinig greep op hebt. Al snel, als blijkt dat je structureel zo weinig kan doen daar en op dat moment, komt het verwijt van de hulpvragende dat zijn Naam slechts een hol woord is. Iets voor op een zondag in de Kerk. Niet veel meer dan dat. Wat betekent dan nog ‘Uw Naam worde geheiligd’? Is het slechts een mooie frase voor een zondag?

Als wij Gods naam hoog moeten houden als gelovigen betekent dat misschien wel dat we Hem in de laagte moeten zoeken. God houdt ook Zichzelf misschien hoog in de laagte, bij de verdrukten, de armen, de ‘laagste’ mensen. Want daarin is Gods Naam werkelijk hoog: in het niet machteloos staan tegenover de noden van de laagsten, daar waar wij zwakke mensen vaak tekort schieten.

Betekent dit dat God zichzelf alleen maar hoog moet houden in de laagte, bij de ‘laagsten’? Of kunnen wij toch God hoog houden? Wij kunnen God mee hoog houden in de laagte door deze laagte van de marge van onze samenleving niet aan de kant te schuiven. Als God zichzelf hoog houdt door de ‘laagsten’ op te zoeken, dan getuigt de gelovige die zich afwendt van de laagte van hoogmoed of trots.

Moge Uw Naam, Heer, geheiligd worden doorheen de laagte, door Uzelf en door de zwakke gelovigen die Uw weg naar de laagte navolgen. En geef, Heer, dat uw Naam daarbij niet slechts een woord, maar een werkwoord mag zijn in en doorheen de samenleving.

Bron: Dimitri GOOSSENS, diaken Antwerpen-Oost (Kerkmozaïek Februari 2010)

In het vizier: "Als ik bid..."

Bidden, door Ds. Arjan Knop, predikant Kortrijk

Het mooiste gebed is, denk ik, het stille gebed.
Met woorden kun je veel zeggen. Je kunt gevoelens onder woorden brengen, angsten, verlangens, hoop. Je kunt datgene verwoorden dat je hoog zit, het van je afpraten, bij God leggen. Je kunt met woorden echter ook zoveel dichttimmeren, teveel willen zeggen.

Als ik voorga in de eredienst en we zijn toegekomen aan de voorbeden, dan is er ruimte voor een stil gebed: ‘We brengen nu in stilte de woorden bij God die in ons hart liggen verborgen’. Dit moment van stilte, een van de twee momenten in de hele dienst, probeer ik steeds zo lang mogelijk te rekken. Maar u begrijpt, na een poosje beginnen mensen een beetje te schuifelen, worden wat ongemakkelijk van stil zijn. En dan volgt al gauw het gebed ‘dat Jezus ons leerde en dat begint met…’

Veel kun je dus niet zeggen in dat stille gebed tijdens de dienst, maar het is feitelijk het enige moment dat mensen zelf hun eigen woorden of gedachten aan God kunnen toevertrouwen. De rest van de dienst is het aan de voorganger om te vertolken wat leeft bij de mensen en dat hoeft niet altijd het hart te raken van de gelovige. Stilte raakt echter altijd het hart.

Zo is er dat verhaal. Men vraagt aan een gelovige wat hij zegt als hij bidt tot God. ‘Niets’ antwoordt de man. ‘Ik luister’. ‘Ja, maar’, vraagt die ene weer, ‘wat zegt God dan tegen jou?’. ‘Ook niets. Hij luistert’.

Toen ik veel jonger was, kon ik nog stil zijn. Ik bedoel, ik kon stil zijn met anderen, met vrienden. Ik weet nog dat ik in het vijfde jaar zat van de middelbare school en we waren op schoolreis naar Terschelling, een Nederlands eiland. We lagen, drie vrienden door dik en dun, op onze rug op een boot op het strand en keken omhoog, naar de sterren. Ja, ja, heel klassiek, maar we zwegen, er viel geen woord. Dat was magisch, dat was bijna goddelijk. Daar hoefde niets gezegd te worden, de stilte bracht hemel en aarde dichterbij.

Soms zijn woorden nodig. Om iets uit te leggen, om onder woorden te brengen wat men bezielt, bezighoudt, raakt of verafschuwt. Maar vaak staan woorden ook alleen maar in de weg. Ze knellen, creëren afstand, vervreemden, ontsporen. Als we stil kunnen zijn met elkaar, kan God werkelijk tot ons spreken, kunnen hemel en aarde elkaar raken in dichte verbondenheid. Als we stil kunnen zijn met elkaar, kunnen onze gedachten en gevoelens vrij naar God gaan. Hij zal ze verstaan, ook zonder woorden. Als we stil kunnen zijn met elkaar zullen we spreken met God, de taal van het hart, de taal van de stilte.

Soms zijn woorden nodig en kunnen ze verfrissen, ophelderen, leeg maken. Soms zijn woorden overbodig en bidden we best met de taal die we niet kennen, de taal die zich niet laat benoemen, de taal van woorden die nooit worden uitgesproken. Zo bidden we dan zonder geluid met de taal van onze ziel.

“Wanneer ik bid”, door Dr. Dick WURSTEN, Inspecteur protestants-evangelische godsdienst.

Bidden, een veel gebruikt maar daarom niet minder geheimzinnig woord: bidden, dat is praten met God wordt vaak gezegd. Mooi gezegd, maar wat bedoelen we daar dan eigenlijk mee?
Het gaat immers niet zo zoals in een gewoon gesprek, van mens tot mens. Het gaat om de Communicatie met God, het contact met God. Dat is ook mooi gezegd, maar ook als je het zó zegt, blijft het mysterieus, want er zit nog steeds een ‘onbekende’ in de zin: ‘G.o.d.’, en als het ‘adres onbekend’ is, hoe weet je dan of je boodschap ook aankomt? Toch bidden mensen, en bepaald niet alleen kerkelijke, neen: er wordt buiten de kerk ook heel wat afgebeden, ook al zullen taal en vorm niet zo gestileerd zijn als in de kerk.

Pater André Louf, een oude trappist, dit wil zeggen iemand die zijn leven lang elke dag 8 uur werkt, 8 uur slaapt en 8 uur bidt (op het ritme van de gebedstijden leeft), zegt hierover: bidden is wezenlijk voor mijn geloof… maar dan bedoel ik niet ‘een tekst opdreunen’, maar de daad van het ‘zich openstellen’ op zich. Als ik bid, dan wacht ik op iets, noem het maar dat God mij aanraakt, dat hij zich meldt in mijn gebed.
En: Praten met God in de letterlijke zin is voor mij steeds minder belangrijk geworden. God staat als het ware steeds achter de deur in mijn actieve leven. Hij is ontzettend nabij, maar gewoonlijk zie ik hem niet, hoor ik hem niet, omdat ik veel te druk met mezelf bezig ben… Als ik bid, kniel en mijn handen vouw, geef ik hem de kans binnen te komen.

Bidden is stoppen, stilstaan [ook lichamelijk!] om de bal van je leven via de band van de eeuwigheid te spelen, als u begrijpt wat ik bedoel. Meestal – om in het beeld te blijven – rolt ons leven voort zonder dat je er bewust veel aan doet, en soms gaat het rechtdoor zonder obstakels, vaker via aanrakingen, zacht of onzacht met andermans leven, soms zelfs keihard in botsing met anderen of met je eigen grenzen. Bidden is bewust een omweg maken, buitenom gaan, via de band. Om daarna weer naar hetzelfde bestaan terug te keren, maar nu toch net even ‘komend van een andere kant’, met een andere kijk op dezelfde dingen.

In een brief uit het begin van de 5de eeuw legt Augustinus uit hoe een vrome zich tot God richt en dan voegt hij toe, “non ut Deus instruatur sed ut ipsa construatur”: niet om God te instrueren maar om je zelf te construeren. Bidden is dus een manier om de inventaris op te maken van wat zich in je leven heeft afgespeeld en proberen daar betekenis aan te geven, om bijvoorbeeld het onvermijdelijke te accepteren of om te veranderen wat veranderd kan worden. Daarvoor tijd maken – hoe en wanneer precies doet er niet zoveel toe, als je het maar geregeld doet – is niet alleen vroom, maar ook gewoon verstandig.

Kijk maar wat Jezus deed na z’n eerste werkdag, waarop hij overvallen werd door z’n eigen succes. De hele wereld zocht hem en iedereen riep z’n hulp in. Tot diep in de nacht heeft hij zich gegeven en pas als de laatste weg is, kan hij gaan slapen. Dat wil zeggen: dàt kan hij dus niet, want slapen lukt niet na zo’n volle dag. En wat doet hij dan? Nog midden in de nacht stond Jezus op en ging naar buiten (en niet alleen voor een ommetje, al kan dat ook een stuk helpen), neen: en hij ging naar een eenzame plaats om te bidden...

De unieke Naam hooghouden, door Ds. Johan VISSER, predikant Antwerpen-Oost.

Stel ons in staat om zo zuiver te leven dat, door ons, allen U mogen verheerlijken.

Wie (met) het Onze Vader bidt, kan niet om Gods Naam heen. Al direct na de aanspraak bidden we dat zijn Naam geheiligd moet worden. De naam staat bijbels gezien voor de persoon. God zelf moet hooggehouden worden, bidden we dus. Wie bij bidden vooral op zichzelf is gericht, wordt aan het begin van het gebed gedwongen om zich anders te richten. Ons bidden kan zich niet primair richten op de eigen noden en problemen die God moet weten en oplossen, of op het onrustige hart dat al mediterend of sprekend tot rust en inzicht wil komen. De eerste zorg van het gebed is de Naam die het boven alles en iedereen verdient om hooggehouden te worden.

Met deze gerichtheid op de eer en verhevenheid van Gods Naam staat het Onze Vader in de traditie van de joodse gebeden uit de eerste eeuwen. De opening van het joodse kaddisj gebed toont bijvoorbeeld opvallende gelijkenis met het begin van het Onze Vader: ‘Verhoogd en geheiligd zij zijn grote Naam in de wereld die Hij heeft geschapen naar zijn wil. Moge Hij zijn koninkrijk vestigen ...’

We botsen hier op een weerbarstige kern van de bijbelse traditie, waarin de eer, majesteit en glorie van God zo gewichtig zijn dat wij mensen daar bezorgd om zijn. Gods goede Naam moet de heilige, unieke plaats boven alles en iedereen houden. Al biddend wordt dat onze zorg.

De vraag bij het gebed om de heiliging van Gods Naam is: wie moet Gods Naam heiligen? Vragen we dat God dat zelf doet of dat wij en anderen die taak op ons nemen?

De uitleg dat het onze taak is, wordt helder verwoord door de patriarch Johannes Chrysostomus (345-407) in een preek over het Onze Vader: ‘Uiteindelijk zegt hij (Jezus): “Stel ons in staat om zo zuiver te leven dat, door ons, allen U mogen verheerlijken.”’ Het gebed om heiliging van Gods Naam is volgens Chrysostomus dus een gebed om een heilig leven van de gelovigen, waarvoor God de eer zal ontvangen. Deze uitleg is passend als we het Onze Vader verstaan binnen het geheel van de Bergrede, waarin het gebed in het evangelie van Mattheüs staat. Wij worden opgeroepen om de heilige Naam hoog te houden door daadwerkelijk het zout van de aarde en het licht van de wereld te zijn. En we bidden dat wij die roeping volhouden en God ons daarin bijstaat. Deze uitleg is wel wat optimistisch.

Er zit weinig besef van crisis in. Dat besef klinkt wel door in de uitleg dat we bidden dat God zelf zijn Naam in de wereld moet hooghouden. Vanuit dat besef profeteerde de profeet Ezechiël: ‘Ik zal mijn grote Naam, die onder de volken ontheiligd is, die gij te midden van hen ontheiligd hebt, heiligen; en de volken zullen weten dat Ik de HERE ben’ (36:23). Zijn wij mensen wel in staat om Gods Naam hoog te houden, als onze heiligheid te wensen overlaat of als zijn Naam te zeer geschonden is door het kwaad en het onrecht in zijn schepping? Moet God zelf niet zijn glorie in de wereld tonen door reddend op te treden en zijn rijk te stichten? Zijn Naam zegt immers dat Hij ‘barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw’ is (Exodus 34:6). Laat Hij dat dan ook tonen en doen wat zijn Naam ons belooft. Daarom is dit ook een roep om verlossing voor verdrukte en lamgeslagen mensen en voor zondaars voor wie heiligheid een paradijselijke droom of herinnering is. Met verwachting, misschien zelfs ongeduld bidden we dat God zichzelf hooghoudt temidden van het kwaad, zodat de ganse schepping zijn Naam de eer en glorie zal geven.

Ik denk niet dat we moeten kiezen tussen de eerste of tweede uitleg. Beide vullen elkaar aan en zullen afhankelijk van onze situatie de boventoon voeren in het gebed, waarin het gewicht van de unieke Naam voorop staat.


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be