Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

Onze Vader in de hemelen

Inleiding

Zijn gebed, het gebed des Heren, worden in de komende Kerkmozaïek nummers bede voor bede belicht, in de hoop dat u er iets aan hebt voor de ‘(re-)constructie van uw eigen leven’. Het leven wordt immers voorwaarts geleefd, maar slechts achteromziend begrepen.

Onze Vader in de hemelen

Het Onze Vader is het christelijke gebed bij uitstek. “Bidt alzo” zei Jezus. (Matt.6:9) Betekent dit nu dat we niet anders dan alzo kunnen bidden? Nee, alzo betekent ‘op die manier’. Misschien niet letterlijk alzo, maar dan toch in de geest van, geïnspireerd door.

Onze Vader
Jezus leert ons tot God als Vader te bidden. In de Bergrede, daar waar het Onze Vader in terug te vinden is, wordt over God 17 keer als Vader gesproken op een totaal van meer dan 200 keer in het N.T. In het O.T. vinden we God als Vader ‘slechts’ 15 keer terug. Je zou kunnen zeggen dat God als Vader het ‘tegoed’ is van het N.T., het kenmerkende. Jezus heeft ons God als Vader leren kennen en spreekt gelovigen aan als kinderen, broeders en zusters; beelden voor een hechte relatie. Trouwens, het is niet enkel Vader, maar onze Vader. Waarbij dat ‘onze’ niet exclusief bedoeld is en wij dan een gelovige elite zijn die het privilege heeft God als Vader aan te spreken. Alsof onze God niet de Vader is van allen. Net daarom bid je het als gelovige voor iedereen en samen, ook voor hen die niet kunnen bidden, die de woorden niet meer vinden.

Die in de Hemelen is
Ja, is de intimiteit nu al afgelopen? De Hemelen (want in de oorspronkelijke tekst staat de hemel in het meervoud) worden meestal ver weg gedacht en gevoeld. Matteus gebruikt graag het meervoud. Hij doet dit om zo dicht mogelijk bij het bijbels Hebreeuws te blijven. En in die taal klinkt de Hemel niet van op een afstand, maar staat voor het ‘andere’, voor dat wat van God is. Het staat voor licht, voor wat radicaal goed is. Zo radicaal anders dat het niet van deze aarde kan zijn.

Bron: Ds. Edwin DELEN (Kerkmozaïek Februari 2010)

Uw Naam worde geheiligd
Het overkomt iemand op de meest onverwachte momenten…
Tijdens of na de vertrouwde zondagse viering staat er plots iemand voor je die een beroep doet op je hulp in zijn Naam. Op zo een moment bots je, ondanks al je goede bedoelingen, op een hoop praktische problemen en op grotere, maatschappelijke processen waar je als gelovige zo weinig greep op hebt. Al snel, als blijkt dat je structureel zo weinig kan doen daar en op dat moment, komt het verwijt van de hulpvragende dat zijn Naam slechts een hol woord is. Iets voor op een zondag in de Kerk. Niet veel meer dan dat. Wat betekent dan nog ‘Uw Naam worde geheiligd’? Is het slechts een mooie frase voor een zondag?

Als wij Gods naam hoog moeten houden als gelovigen betekent dat misschien wel dat we Hem in de laagte moeten zoeken. God houdt ook Zichzelf misschien hoog in de laagte, bij de verdrukten, de armen, de ‘laagste’ mensen. Want daarin is Gods Naam werkelijk hoog: in het niet machteloos staan tegenover de noden van de laagsten, daar waar wij zwakke mensen vaak tekort schieten.

Betekent dit dat God zichzelf alleen maar hoog moet houden in de laagte, bij de ‘laagsten’? Of kunnen wij toch God hoog houden? Wij kunnen God mee hoog houden in de laagte door deze laagte van de marge van onze samenleving niet aan de kant te schuiven. Als God zichzelf hoog houdt door de ‘laagsten’ op te zoeken, dan getuigt de gelovige die zich afwendt van de laagte van hoogmoed of trots.

Moge Uw Naam, Heer, geheiligd worden doorheen de laagte, door Uzelf en door de zwakke gelovigen die Uw weg naar de laagte navolgen. En geef, Heer, dat uw Naam daarbij niet slechts een woord, maar een werkwoord mag zijn in en doorheen de samenleving.

Bron: Dimitri GOOSSENS, diaken Antwerpen-Oost (Kerkmozaïek Maart 2010)

Uw koninkrijk kome

Hoe vaak zal ik het Onze vader al gebeden hebben? Vaak alleen en ook vaak samen in de kerk? Niet te tellen. Ik kan de woorden dromen. En toch is het iedere keer weer net een beetje anders.
Nu eens is het de ene zin die eruit springt, dan weer een andere.
Al naar omstandigheden. Soms is het “Uw wil geschiede”, dat voor mij alles zegt; en een andere keer “Vergeef ons onze schulden”.
Ik weet nog goed toen het “gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren” was. En wat ik destijds bedoelde met “Geef ons heden ons dagelijks brood”, uitleg overbodig, “jullie vader weet immers wat jullie nodig hebben, nog voor jullie het hem vragen”.

Maar om nu te zeggen “Uw koninkrijk kome”, nee. Ik zou niet weten wanneer dat voor mij met flikkerende neonletters oplichtte.
Misschien wel nooit; misschien wel vandaag voor het eerst. Het “koninkrijk” en “de kracht” aan het slot altijd nog eerder dan “Uw koninkrijk kome”.

Ik loop erover na te denken, en ik verwonder me over mijzelf.
Want “Uw koninkrijk kome” is welbeschouwd de belangrijkste zin van het hele gebed. Het hele verlanglijstje voor persoonlijk welbevinden kan desnoods gemist worden. Het kan opluchten om het te zeggen, maar “uw vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt”. En ook: het gaat niet in de eerste plaats om mij, maar om de komst van het koninkrijk. Daarom zal die zin nogal aan het begin staan. Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik begin te geloven dat het de belangrijkste zin is.

Bron: Joop van der Horst, gemeentelid Leuven. (Kerkmozaïek April 2010)

‘Uw wil geschiede’

Als veertiger bevind ik mij in een ambivalente positie met betrekking tot deze bede.

Ik groeide op in een tijd waarin volwassenen rondom mij hierin een houvast zochten. Dat mijn opa als jonge vader van vier kleine meisjes en zendeling in Nederlands Indië was omgebracht door de Japanners in WOII, was omdat “zijn taak volbracht was”, zo verzekerde men mijn oma. Het heeft de Here behaagd, jaja. Mijn moeder werd hier al opstandig van. Haar opstand vertaalde zich in een ijveren voor een betere wereld. Dàt wil God!

Als jongere deelde ik deze ijver. Maar na de val van de Berlijnse muur en de vrijlating van Nelson Mandela bleek de wereld veel ingewikkelder dan verdeeld in goed en slecht, dan maakbaar door goedwillende inzet. Was Gods wil lamgelegd?
Mijn jongvolwassen kinderen en hun generatiegenoten zijn vertrouwd met globalisering, met God in de marge, met leven in onmacht. Misschien is God wel evenzeer op zoek naar hoe zijn wil kan geschieden als wij. Een bijna menselijke God. Het goede in de mens.
In onze tijd bestaan ze naast elkaar: de God om voor te buigen, van “dit wil God” en “insj’allah”, en de God van mensenwerk en vragen. Daar hang ik tussenin.

Maar de kloof tussen de generaties, geloofsbelevingen, is maar schijn. Ten diepste delen we het verlangen, naar zin, naar richting boven onze vertwijfeling uit. Het Onze Vader kun je bidden als je geen woorden vindt, als je je woordeloosheid en verwarring een adres wil geven.
“Uw naam worde geheiligd, Uw Koninkrijk kome, Uw wil geschiede”.
Aanvoegende wijs, zuchten van verlangen. Laat het mogen gebeuren!
Geen bevelende wijs. Wij moeten het niet alléén kunnen waarmaken.
Maar je blijft er niet dezelfde bij. Al biddende, vind je in Hem onze Vader en maak je deel uit van Zijn wil van brood, vergeving en hulp voor allen in eeuwigheid,amen.

Bron: Petra SCHIPPER, gemeentelid Protestantse Kerk Brussel. (Kerkmozaïek Mei 2010)

Geef ons heden ons dagelijks brood !

Dit is een persoonlijke bede, die we met onze broeders en zusters in Christus delen, maar dit betreft ook onze naaste. Het gaat ons allen aan, dat we al of niet in materiële en/of in geestelijke nood verkeren.
Het is te gemakkelijk te denken dat dit gebed enkel bestemd is voor degenen die in maatschappelijke nood verkeren of in een geestelijke woestijn leven. Maar dit verzoek geldt ook voor hen die zich voor het oplossen van noden van anderen inzetten en hun behoeften moeten beheren, die hulp verspreiden, delen en hiervoor versterking vragen.
Jezus verzoekt ons dus om elke dag deze vraag te herformuleren zodat we waakzaam blijven voor onszelf en voor de anderen.

In feite hebben wij hier de grondslag zelf van de diaconie. Deze taak begint natuurlijk in de kerk maar beperkt er zich niet toe, want de wanhoop buiten de kerk is ook onze bekommernis.
Naar het voorbeeld van Jezus, wordt van ons verwacht dat we de anderen aanschouwen en hen onze hulp bieden, zowel op materieel, psychologisch en geestelijk vlak.

Door het diaconaal werk voorzien we in de materiële behoeften van onze naasten, zowel voor hen die nabij ons leven of die veraf zijn, om hen een waardig bestaan toe te laten: door financiële bijdrage, door het geven van voedselpakketten, maar eveneens door met hen op zoek te gaan naar oplossingen, hen te begeleiden naar de diensten van welzijnszorgen, ...

Het is eveneens belangrijk dat we het leed van de hulpvrager respecteren en hem benaderen met een luisterend oor, zonder een oordeel uit te spreken. Het is troosten, aanmoedigen, vergezellen… Van ons geloof getuigen, het te delen, zoals het manna dat elke dag door God aan zijn volk in de woestijn wordt aangeboden. Dat we degenen die lijden, door gebed en gehoorzaamheid, tot een diepere relatie met de Heer leiden.

De verleiding kan groot zijn dat we vergeten dat alles wat wij geven, uit Gods handen komt. Laten we niet uit het oog verliezen dat er ook vreugde is om voor ons en voor de anderen te bidden. Laten we niet ondankbaar zijn zoals de oudste zoon in de gelijkenis van de verloren zoon. Elke dag had hij alles te zijner beschikking, maar hij had nooit iets gevraagd, hij werd boos en afgunstig op zijn broer. Hij hoefde nochtans maar aan zijn vader te vragen !

Jezus nodigt ons uit om onze Vader te bidden. Alhoewel God onze noden en gedachten kent, verwacht Hij van ons dat we ze Hem voorleggen. God wil in vertrouwen een liefdevolle relatie met zijn kind hebben.
Zijn we niet blij als we onze kinderen kunnen geven wat zij vragen ?
Reden te meer dus dat onze hemelse Vader zich verheugt om ons gebed om hulp voor ons en voor de anderen te beantwoorden.

Geef ons heden ons dagelijks brood.

Bron : Diaconie VPKB-gemeente Charleroi. (Kerkmozaïek Juni 2010)

_________________________________________________________

In het vizier: "Als ik bid..."

Bidden, door Ds. Arjan Knop, predikant Kortrijk

Het mooiste gebed is, denk ik, het stille gebed.
Met woorden kun je veel zeggen. Je kunt gevoelens onder woorden brengen, angsten, verlangens, hoop. Je kunt datgene verwoorden dat je hoog zit, het van je afpraten, bij God leggen. Je kunt met woorden echter ook zoveel dichttimmeren, teveel willen zeggen.

Als ik voorga in de eredienst en we zijn toegekomen aan de voorbeden, dan is er ruimte voor een stil gebed: ‘We brengen nu in stilte de woorden bij God die in ons hart liggen verborgen’. Dit moment van stilte, een van de twee momenten in de hele dienst, probeer ik steeds zo lang mogelijk te rekken. Maar u begrijpt, na een poosje beginnen mensen een beetje te schuifelen, worden wat ongemakkelijk van stil zijn. En dan volgt al gauw het gebed ‘dat Jezus ons leerde en dat begint met…’

Veel kun je dus niet zeggen in dat stille gebed tijdens de dienst, maar het is feitelijk het enige moment dat mensen zelf hun eigen woorden of gedachten aan God kunnen toevertrouwen. De rest van de dienst is het aan de voorganger om te vertolken wat leeft bij de mensen en dat hoeft niet altijd het hart te raken van de gelovige. Stilte raakt echter altijd het hart.

Zo is er dat verhaal. Men vraagt aan een gelovige wat hij zegt als hij bidt tot God. ‘Niets’ antwoordt de man. ‘Ik luister’. ‘Ja, maar’, vraagt die ene weer, ‘wat zegt God dan tegen jou?’. ‘Ook niets. Hij luistert’.

Toen ik veel jonger was, kon ik nog stil zijn. Ik bedoel, ik kon stil zijn met anderen, met vrienden. Ik weet nog dat ik in het vijfde jaar zat van de middelbare school en we waren op schoolreis naar Terschelling, een Nederlands eiland. We lagen, drie vrienden door dik en dun, op onze rug op een boot op het strand en keken omhoog, naar de sterren. Ja, ja, heel klassiek, maar we zwegen, er viel geen woord. Dat was magisch, dat was bijna goddelijk. Daar hoefde niets gezegd te worden, de stilte bracht hemel en aarde dichterbij.

Soms zijn woorden nodig. Om iets uit te leggen, om onder woorden te brengen wat men bezielt, bezighoudt, raakt of verafschuwt. Maar vaak staan woorden ook alleen maar in de weg. Ze knellen, creëren afstand, vervreemden, ontsporen. Als we stil kunnen zijn met elkaar, kan God werkelijk tot ons spreken, kunnen hemel en aarde elkaar raken in dichte verbondenheid. Als we stil kunnen zijn met elkaar, kunnen onze gedachten en gevoelens vrij naar God gaan. Hij zal ze verstaan, ook zonder woorden. Als we stil kunnen zijn met elkaar zullen we spreken met God, de taal van het hart, de taal van de stilte.

Soms zijn woorden nodig en kunnen ze verfrissen, ophelderen, leeg maken. Soms zijn woorden overbodig en bidden we best met de taal die we niet kennen, de taal die zich niet laat benoemen, de taal van woorden die nooit worden uitgesproken. Zo bidden we dan zonder geluid met de taal van onze ziel.

“Wanneer ik bid”, door Dr. Dick WURSTEN, Inspecteur protestants-evangelische godsdienst.

Bidden, een veel gebruikt maar daarom niet minder geheimzinnig woord: bidden, dat is praten met God wordt vaak gezegd. Mooi gezegd, maar wat bedoelen we daar dan eigenlijk mee?
Het gaat immers niet zo zoals in een gewoon gesprek, van mens tot mens. Het gaat om de Communicatie met God, het contact met God. Dat is ook mooi gezegd, maar ook als je het zó zegt, blijft het mysterieus, want er zit nog steeds een ‘onbekende’ in de zin: ‘G.o.d.’, en als het ‘adres onbekend’ is, hoe weet je dan of je boodschap ook aankomt? Toch bidden mensen, en bepaald niet alleen kerkelijke, neen: er wordt buiten de kerk ook heel wat afgebeden, ook al zullen taal en vorm niet zo gestileerd zijn als in de kerk.

Pater André Louf, een oude trappist, dit wil zeggen iemand die zijn leven lang elke dag 8 uur werkt, 8 uur slaapt en 8 uur bidt (op het ritme van de gebedstijden leeft), zegt hierover: bidden is wezenlijk voor mijn geloof… maar dan bedoel ik niet ‘een tekst opdreunen’, maar de daad van het ‘zich openstellen’ op zich. Als ik bid, dan wacht ik op iets, noem het maar dat God mij aanraakt, dat hij zich meldt in mijn gebed.
En: Praten met God in de letterlijke zin is voor mij steeds minder belangrijk geworden. God staat als het ware steeds achter de deur in mijn actieve leven. Hij is ontzettend nabij, maar gewoonlijk zie ik hem niet, hoor ik hem niet, omdat ik veel te druk met mezelf bezig ben… Als ik bid, kniel en mijn handen vouw, geef ik hem de kans binnen te komen.

Bidden is stoppen, stilstaan [ook lichamelijk!] om de bal van je leven via de band van de eeuwigheid te spelen, als u begrijpt wat ik bedoel. Meestal – om in het beeld te blijven – rolt ons leven voort zonder dat je er bewust veel aan doet, en soms gaat het rechtdoor zonder obstakels, vaker via aanrakingen, zacht of onzacht met andermans leven, soms zelfs keihard in botsing met anderen of met je eigen grenzen. Bidden is bewust een omweg maken, buitenom gaan, via de band. Om daarna weer naar hetzelfde bestaan terug te keren, maar nu toch net even ‘komend van een andere kant’, met een andere kijk op dezelfde dingen.

In een brief uit het begin van de 5de eeuw legt Augustinus uit hoe een vrome zich tot God richt en dan voegt hij toe, “non ut Deus instruatur sed ut ipsa construatur”: niet om God te instrueren maar om je zelf te construeren. Bidden is dus een manier om de inventaris op te maken van wat zich in je leven heeft afgespeeld en proberen daar betekenis aan te geven, om bijvoorbeeld het onvermijdelijke te accepteren of om te veranderen wat veranderd kan worden. Daarvoor tijd maken – hoe en wanneer precies doet er niet zoveel toe, als je het maar geregeld doet – is niet alleen vroom, maar ook gewoon verstandig.

Kijk maar wat Jezus deed na z’n eerste werkdag, waarop hij overvallen werd door z’n eigen succes. De hele wereld zocht hem en iedereen riep z’n hulp in. Tot diep in de nacht heeft hij zich gegeven en pas als de laatste weg is, kan hij gaan slapen. Dat wil zeggen: dàt kan hij dus niet, want slapen lukt niet na zo’n volle dag. En wat doet hij dan? Nog midden in de nacht stond Jezus op en ging naar buiten (en niet alleen voor een ommetje, al kan dat ook een stuk helpen), neen: en hij ging naar een eenzame plaats om te bidden...

De unieke Naam hooghouden, door Ds. Johan VISSER, predikant Antwerpen-Oost.

Stel ons in staat om zo zuiver te leven dat, door ons, allen U mogen verheerlijken.

Wie (met) het Onze Vader bidt, kan niet om Gods Naam heen. Al direct na de aanspraak bidden we dat zijn Naam geheiligd moet worden. De naam staat bijbels gezien voor de persoon. God zelf moet hooggehouden worden, bidden we dus. Wie bij bidden vooral op zichzelf is gericht, wordt aan het begin van het gebed gedwongen om zich anders te richten. Ons bidden kan zich niet primair richten op de eigen noden en problemen die God moet weten en oplossen, of op het onrustige hart dat al mediterend of sprekend tot rust en inzicht wil komen. De eerste zorg van het gebed is de Naam die het boven alles en iedereen verdient om hooggehouden te worden.

Met deze gerichtheid op de eer en verhevenheid van Gods Naam staat het Onze Vader in de traditie van de joodse gebeden uit de eerste eeuwen. De opening van het joodse kaddisj gebed toont bijvoorbeeld opvallende gelijkenis met het begin van het Onze Vader: ‘Verhoogd en geheiligd zij zijn grote Naam in de wereld die Hij heeft geschapen naar zijn wil. Moge Hij zijn koninkrijk vestigen ...’

We botsen hier op een weerbarstige kern van de bijbelse traditie, waarin de eer, majesteit en glorie van God zo gewichtig zijn dat wij mensen daar bezorgd om zijn. Gods goede Naam moet de heilige, unieke plaats boven alles en iedereen houden. Al biddend wordt dat onze zorg.

De vraag bij het gebed om de heiliging van Gods Naam is: wie moet Gods Naam heiligen? Vragen we dat God dat zelf doet of dat wij en anderen die taak op ons nemen?

De uitleg dat het onze taak is, wordt helder verwoord door de patriarch Johannes Chrysostomus (345-407) in een preek over het Onze Vader: ‘Uiteindelijk zegt hij (Jezus): “Stel ons in staat om zo zuiver te leven dat, door ons, allen U mogen verheerlijken.”’ Het gebed om heiliging van Gods Naam is volgens Chrysostomus dus een gebed om een heilig leven van de gelovigen, waarvoor God de eer zal ontvangen. Deze uitleg is passend als we het Onze Vader verstaan binnen het geheel van de Bergrede, waarin het gebed in het evangelie van Mattheüs staat. Wij worden opgeroepen om de heilige Naam hoog te houden door daadwerkelijk het zout van de aarde en het licht van de wereld te zijn. En we bidden dat wij die roeping volhouden en God ons daarin bijstaat. Deze uitleg is wel wat optimistisch.

Er zit weinig besef van crisis in. Dat besef klinkt wel door in de uitleg dat we bidden dat God zelf zijn Naam in de wereld moet hooghouden. Vanuit dat besef profeteerde de profeet Ezechiël: ‘Ik zal mijn grote Naam, die onder de volken ontheiligd is, die gij te midden van hen ontheiligd hebt, heiligen; en de volken zullen weten dat Ik de HERE ben’ (36:23). Zijn wij mensen wel in staat om Gods Naam hoog te houden, als onze heiligheid te wensen overlaat of als zijn Naam te zeer geschonden is door het kwaad en het onrecht in zijn schepping? Moet God zelf niet zijn glorie in de wereld tonen door reddend op te treden en zijn rijk te stichten? Zijn Naam zegt immers dat Hij ‘barmhartig en genadig, lankmoedig, groot van goedertierenheid en trouw’ is (Exodus 34:6). Laat Hij dat dan ook tonen en doen wat zijn Naam ons belooft. Daarom is dit ook een roep om verlossing voor verdrukte en lamgeslagen mensen en voor zondaars voor wie heiligheid een paradijselijke droom of herinnering is. Met verwachting, misschien zelfs ongeduld bidden we dat God zichzelf hooghoudt temidden van het kwaad, zodat de ganse schepping zijn Naam de eer en glorie zal geven.

Ik denk niet dat we moeten kiezen tussen de eerste of tweede uitleg. Beide vullen elkaar aan en zullen afhankelijk van onze situatie de boventoon voeren in het gebed, waarin het gewicht van de unieke Naam voorop staat.

Uw Koninkrijk kome, door ds. Ernst VEEN, predikant te Leuven.

Het is hier op aarde nog niet het Beloofde land. Vanuit dat besef klinkt de bede van Jezus Uw Koninkrijk kome. Maar ook vanuit het vertrouwen dat dat Koninkrijk ooit komen zal.

Het Koninkrijk van God? De moderne mens schudt hierbij zijn nuchtere hoofd. Waar ligt dat?
In het beste geval is dat iets voor later, aan gene zijde van dit leven.
Maar dat is een vergissing. Het gaat in dat beeld van Gods Koninkrijk niet louter om een belofte voor een toekomstige betere wereld. Dat ook, maar het beeld van dat komende Koninkrijk is eveneens en vooral een kritisch tegenbeeld voor onze aarde hier en nu. Het bijbelse beeld van het Godsrijk, het visioen van de Nieuwe Aarde, laat ons als in een spiegel zien wat er hier en nu aan onze eigen wereld schort en vierkant draait en vooral: dat het ook anders kan: rechtvaardiger, menselijker, vredelievender…

Jezus heeft van Zijn hemelse Vader begrepen dat de voldongen feiten van de aardse gebrokenheid overwonnen zullen worden en dat we ons dus ook niet bij die gebrokenheid hoeven en hebben neer te leggen.

En zo wordt het wereld- en mensbeeld van Jezus ten diepste niet bepaald door de fatale loop der dingen, noch door de sombere lessen van de geschiedenis, maar door het beeld van het Koninkrijk van God, het visioen van de Nieuwe Aarde: een herschapen Hof van Eden, een ongebroken bestaan, een aarde van recht en vrede, van licht en liefde, van ware menselijkheid naar Gods beeld en gelijkenis.
Een aarde waar, naar het woord van de profeten Jesaja en Micha, zwaarden zijn omgesmeed tot ploegijzers en speren tot snoeimessen. Waar geen volk nog het zwaard zal heffen tegen een ander volk en waar geen mens nog weten zal wat oorlog is. Waar, naar Jesaja poëtisch sprak, de wolf zich zal neerleggen naast het lam en de panter bij het bokje. Waar kalf en leeuw samen zullen weiden, koe en berin samen zullen grazen.
Het nieuwe Jeruzalem waar, naar het boek Openbaring, de dood niet meer zijn zal, noch rouw, geklaag of moeite.
Waar alle tranen zijn afgewist en alles nieuw zal zijn.

Daarbij is dat bijbelse visioen van Gods komende Koninkrijk niet alleen een diep verlangen en vrome wens (veelvuldig onder woorden gebracht, niet alleen in de Bijbel, maar ook in hedendaagse liederen, zoals in gezang 89, 124, 288, 290 uit het Liedboek der Kerken) of een belofte, maar ook een tele opdracht. Om te werken aan een betere wereld. Om mee te bouwen aan een leefbare aarde van ware menselijkheid zoals God bedoeld heeft.
Om de zwaarden om te smeden en de hand aan de ploegijzers te slaan. Om de exodus in te slaan uit de slavernij naar het Beloofde Land. Een weg die weliswaar eerst nog door de woestijn heengaat, door een wereld vol leed en ellende, onrecht en kwaad, maar die, aldus de bijbelse boodschap, zal uitmonden in het Koninkrijk van God. En niet louter als visioen voor een verre toekomst, maar reeds als hedendaags denken en doen, als hoop en spiritualiteit, als daad en inspiratie voor hier en nu. Zoals dat door Inge Lievaart bezongen wordt in lied 167 van de nieuwe liedbundel Tussentijds:

De toekomst is al gaande,
lokt ondanks tegenstand
ons weg uit het bestaande
naar eens te vinden land.
De toekomst is al gaande,
verborgen en gezien,
een stem die te verstaan is,
een God die draagt en dient.
De toekomst houdt ons gaande,
voert ondanks tegenstand
ons uit het doods bestaande
naar nieuw, bewoonbaar land.

‘… laat uw wil gedaan worden, op aarde zoals in de hemel’. door ds. Steven FUITE, predikant Protestantse Kerk Brussel

(Matteüs-evangelie 6, 10bc) 

De omgeving van ‘het Onze Vader’, het gebed waartoe de man uit Nazareth zijn leerlingen oproept, is lieflijk noch intiem. Jezus ergert zich aan de manier waarop mensen omgaan met elkaar en met Hem die wij God noemen, aan het leven van de show en aan het bidden voor de schijn. Temidden daarvan klinkt het: ‘Bidt daarom als volgt’. Uiteraard gaat het daarbij niet om het woordelijk leren nazeggen maar om de innerlijke houding. Het is zeer wel mogelijk dat iemand die dit gebed niet kent, toch al biddend voldoet aan Jezus’ oproep. Zoals het evenzeer mogelijk is dat wie elke regel uit het ‘Onze Vader’ op zondag in de kerk als eerste hardop uitspreekt, niets begreep van wat Jezus bedoelde met: ‘Bidt daarom als volgt’.

Jezus vraagt zijn leerlingen al biddend een tegenverhaal te vertellen: ‘… laat uw koninkrijk komen en uw wil gedaan worden op aarde zoals in de hemel’. Aan wié moet je dat tegenverhaal vertellen? Aan God? Zeker, maar blijkens de inleidende woorden ook aan jezelf! ‘Jullie Vader weet immers wat jullie nodig hebben, nog voor jullie het hem vragen. Bid dààrom als volgt.’
Bidden is niet allereerst iets van je afspreken, maar jezelf tegenspreken, iets met jezelf en met God afspreken, de manier waarop jij het leven en samenleven beleeft en uitleeft onder kritiek stellen. Er wordt gesmeekt om wat nog niet is: ‘laat uw wil gedaan worden’. Die wil valt niet samen met wat in de wereld geschiedt. Een groot deel van de wereldgeschiedenis draagt geen goddelijk stempel. God en het lot zijn geen vrienden.

Wie bidt ‘laat uw wil gedaan worden’ erkent dat de wil van God vooralsnog veel te weinig geschiedenis maakt. En voor zover je daar zelf iets ten goede aan kunt veranderen, dien je jezelf daarbij te bepalen. Bidden is doen, zelf geschiedenis schrijven.

Eerst als dat gezegd is, komt de andere kant van het tegenverhaal aan bod. Deze bede verwoordt immers tegelijk de kreet vol hartverscheurende twijfel en onmacht. Talloze mensen schreeuwden en schreeuwen het uit, in de meest verschrikkelijke omstandigheden: ‘Waarom, o God, waarom?’ Wie het weet, mag het zeggen, maar niemand weet het. De vraag mag gesteld. Dat moet zelfs. Wie én een goedwillende God serieus neemt én zelf in de ellende zit of een beetje de wereld in kijkt, kan niet anders. Elk antwoord ontkent de ernst van de vraag.

Wie bidt ‘laat uw wil gedaan worden’ erkent dat de wil van God vooralsnog veel te weinig geschiedenis maakt. En helaas, er zijn zoveel dingen waaraan je zelf niets ten goede kunt veranderen. Bidden is roepen, een proteststem.

“Geef ons ons dagelijks brood.”, door ds. Daniel VANESCOTE, Oud-voorzitter synodale raad.

In 1969 schreef ds. Kurt Marti (predikant te Bern) in zijn Leichenreden hiernaaststaande tekst die ik graag in vertaling weergeef.
Als ik bid, ben ik niet alleen. Ik had het kunnen merken vanaf het begin toen ik zei: onze vader… Maar daarna was het verborgen achter de eerste drie beden omtrent God, zijn naam, zijn wil, zijn rijk.

Opeens word ik eraan herinnerd dat ik in gemeenschap leef en bid: geef ons ons dagelijks brood. Ik bid niet voor mij alleen, ik bid met en voor veel anderen die ik ken of niet ken.
Om het dagelijks brood bidden wij. Dat doet denken aan het manna dat elke dag aan het volk in de woestijn geschonken werd, maar alleen voor de dag zelf. Het manna verrotte immers indien iemand probeerde een deel ervan tot de volgende morgen te behouden.

Met het gebed van Jezus bidden wij God om ons eten voor vandaag te geven. Maar ons eten van morgen en overmorgen staat al in de koelkast en soms zelfs het eten voor twee weken in de diepvriezer.

Wat is dan de zin van zo’n bede? Is het vandaag niet veeleer een uitnodiging om God te danken? Ja zeker! Maar als die levensbehoeften voor ons geen probleem meer zijn, dan geldt dat niet voor iedereen in de wereld. De gemeenschappelijke dimensie van het gebed is hier van het grootste belang. Deze bede die we aan God richten, komt naar ons terug en we krijgen deze bede in het gezicht zoals een boemerang aangezien we een verantwoordelijkheid dragen: wat hebben wij gedaan opdat iedereen op aarde iets te eten zou krijgen? Zijn wij bereid iets van ons welzijn te delen? Voor miljoenen mensen over talloze landen van de planeet (en ook voor een paar mensen in alle rijke landen) is het zoeken naar het dagelijks brood een schreeuwend probleem.

Als we bidden om het dagelijkse brood moeten we tegelijkertijd Jezus horen die zijn discipelen gebiedt: geven jullie hen maar te eten! Jezus toont aan dat de discipelen de eerste stap moeten zetten om dit probleem van voedsel op te lossen. En dat wordt ook onze verantwoordelijkheid als discipelen van de 21ste eeuw. Vandaag is deze notie van het brood veel breder geworden. Men is er zich bewust van geworden, dat het niet voldoende is om voedsel te hebben om te kunnen leven. Men spreekt dan van andere levensbehoeften zoals het recht op gezondheid, op opvoeding, op minimale inkomsten, op een dak boven zijn hoofd… Dat alles mogen we beschouwen als brood in een bredere zin. Het is interessant om naar het commentaar van Maarten Luther te luisteren. Hij schreef - en dat is letterlijk profetisch - deze woorden over het gebed van Jezus. Wat moeten we begrijpen onder het woord ‘dagelijks brood’? En hij antwoordt: eten, drinken, kleren, schoeisel, een huis, een boerderij, akkers, geld, een eigendom, een goed huwelijk, goede kinderen, goede en trouwe gezagdragers, een rechtvaardige regering, gunstig weer (niet te warm en niet te koud), gezondheid, goede vrienden, trouwe buren... Dat is het dagelijks brood volgens M. Luther ! Want dat zijn de levensbehoeften waarvan iedereen zou moeten kunnen genieten. En ik stel vast dat men al een paar voorstellen van die lijst heeft aanvaard als universele rechten. De biddende mens weet dat hij/ zij niet van brood alleen leeft – wat precies uitgedrukt wordt in de andere beden van dit gebed.
Maar door deze bede om het brood wordt hij/zij er zich opnieuw van bewust dat wij de levensbehoeften niet mogen onderschatten noch veronachtzamen: ons gedrag op dat gebied zal laten sterven… of doen leven.

Als ik bid, ben ik niet alleen. Want al de gezichten op televisie bidden mij ook: geef ons ons dagelijks brood!

 


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be