Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

27 - Twee sleutels van het geheim.

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 27 van het kerkelijk jaar (Pinksteren)
Handelingen 2,14-24 • Exodus 19,16-20,21 • Ezechiël 36,22-32 •

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. WillemsPinksteren, de uitstorting van de Heilige Geest, is eigenlijk het laatste feest van het eerste deel van het kerkelijk jaar. Tegelijk is het ongetwijfeld ook de moeilijkste feestdag. Alle andere feesten zijn typische Jezusvieringen, denken we maar aan Pasen, Kerstfeest of Goede Vrijdag. Het basisgegeven is telkens eenvoudig en duidelijk, en de betekenis ervan kan zonder al te grote moeite worden afgeleid. Pinksteren is echter geen Jezusfestiviteit meer, met Hemelvaart hebben deze immers opgehouden. De viering krijgt daardoor een vaag en ongrijpbaar karakter.
Dit is ook het geval omdat de Heilige Geest een zwevend begrip vormt, waarbij men zich moeilijk iets concreets kan indenken. In de geschiedenis van het christelijk denken heeft men de Heilige Geest steeds weer met de Triniteit verbonden, of met zijn uitstorting op de Kerk, of met allerlei liturgische zegeningen en zalvingen. Men heeft dit alles gebruikt, om - geheel ten onrechte - arrogante kerkstructuren op te zetten. Maar ook dan blijft het allemaal vaag, en geeft men daarenboven de indruk dat het Pinksterfeest typisch christelijk zou zijn. Dat is juist niet het geval! Hoe staat het dan werkelijk met deze feestdag? Wat betekent die wind, die vuurtongen en dat extatisch lallen uit Handelingen 2? Om een antwoord op deze vragen te krijgen willen wij twee verschillende wegen bewandelen die ons naar een antwoord moeten voeren. De antwoorden zijn verschillend, maar eigenlijk sluiten zij op elkaar aan en vervolledigen elkaar. De eerste sleutel die toegang verleent tot het geheimenis ligt in de naam van het feest. De tweede sleutel van het geheim is te vinden in de preek van Petrus.

De eerste sleutel. Wij hoorden het reeds, Pinksteren is geen christelijke uitvinding. Het gaat inderdaad om een joods feest, dat eigenlijk Wekenfeest of Sjavuot heet. Men viert het zeven weken na Pesach, of beter (7 x 7) + 1 = 50 dagen na het hoofdfeest van de kalender. De christenen hebben deze viering overgenomen samen met de naam die de Griekstalige joden eraan gegeven hadden, namelijk (feest van de) vijftigste (dag) (Grieks pentècostè > pinxten > pinksteren), en zij hebben de inhoud ervan enigszins gewijzigd. Wat is nu de oude betekenis van Sjavuot? Een goede oude joodse gewoonte wil dat men op een feestdag dat Schriftgedeelte leest, dat het vieren van die dag voorschrijft. Bij de vieringen, door de jaren, blijft men zich zo steeds bewust van het wat en het waarom van de festiviteit. Welnu, God schrijft aan Israël voor Sjavuot te vieren in Deuteronomium 16,9-12 en dit is de oude lezing van de plechtigheid. De feestdag is bedoeld als een viering van -, en een dankbetuiging voor de tarweoogst. Israël zal daarom offers brengen naar de tempel te Jeruzalem, de woning van God.
Omstreeks het begin van onze jaartelling wordt aan deze Schriftlezing een andere toegevoegd, te weten Exodus 19,1-20,23. Het belangrijkste deel van deze verzen hebben wij ook zelf gelezen. Het hele gebeuren vindt plaats na de uittocht. Het volk Israël komt aan bij de berg Sinai; in de derde maand (19,1) zou kunnen gelezen worden als een zinspeling op het Wekenfeest. Tussen God, Mozes en het volk worden de modaliteiten van de aanstaande verbondssluiting besproken. Dan volgt de theofanie, JHWH die zich openbaart op de Sinai. Als begeleidende tekenen is er sprake van donder, bliksem, rook, vuur, een toestand als van een oven, het beven van de berg, bazuingeschal. God geeft dan aan Mozes de tien woorden van het verbond. De decaloog, dat weten wij nu, is het authentiek document van een verbondssluiting. God stelt zich erin voor en richt zich tot zijn volk. Dit alles betekent dat rond het begin van onze jaartelling het Wekenfeest vooral het feest van de gave van de tien geboden (of de Thora) geworden is en het feest van het Sinaiverbond.
Op den duur kent het verbond echter geen gunstig verloop en volgt de Babylonische ballingschap. In het tweestromenland staat, temidden van zijn volksgenoten, de profeet Ezechiël op. Wij lazen een deel van zijn boodschap, van Gods eigen boodschap, in onze derde lezing. Ezechiël 36 is een schitterend hoofdstuk. God spreekt de ballingen moed in door hen zijn woord te geven voor de toekomst. Hij belooft dat zij zullen terugkeren naar het land Israël. De heidense volkeren zullen niet meer kunnen spotten met de ellende van het joodse volk. Maar God belooft nog meer, hij heeft het over reiniging van het volk, over een nieuw hart in plaats van het stenen hart, over een nieuwe geest. Sterker nog, God zal zijn eigen geest aan het volk geven. Het gevolg van deze transformatie zal zijn dat het zal wandelen volgens de geboden, en Gods gebruiken zal bewaren. Israël zal een echt trouwe partner worden. In één woord, het verbond zal dan compleet worden, het zal volledig waar zijn. Israël zal Gods volk zijn, en God zal Israëls God zijn. Dit alles wordt verwacht met de terugkeer, een heel nieuw leven, een echte wederopstanding van het volk, zoals beschreven in het volgende hoofdstuk, Ezechiël 37. Het vormt één groot pakkend tafereel. Een andere profeet, Jeremia, ziet misschien nog verder in de toekomst en heeft het over een nieuw verbond (31,31).
Deze Schriftlezingen vormen de achtergrond voor het Pinksterverhaal uit Handelingen 2. Nu kunnen wij pas de zonderlinge verschijnselen en hun inhoud verstaan. De wind van de Pinkstermorgen voert het vuur van de Sinai aan. Het waait van de Sinai naar Jeruzalem. De vlammetjes schenken aan ieder lid van de gemeenschap het vuur Gods en zijn Thora, zijn onderricht. De mens zal nu het verbond van God respecteren. De periode van het volkomen, definitieve verbond, het verbond van de Messiaanse tijd, is aangebroken. Nu zal het volk echt trouw zijn, daar God zelf een einde heeft gesteld aan het ‘weerspannige hart’. Het vuur van de Sinai is daar, de geest Gods. Alles wordt herboren, en staat op uit de dood en de verwoesting van de ontrouw.

De tweede sleutel van het Pinkstermysterie is te vinden in het begin van de preek van Petrus. Wij hebben het gedeelte gelezen als eerste lezing. Als gevolg van het neerdalen van de vuurtongen, barst de groep leerlingen uit in een extatisch lallen, dat door de omstanders uitgelegd wordt als pure dronkenschap. Neen, zegt Petrus, vergist u niet, dit heeft alleen te maken met een profetie van Joël (3; in sommige bijbels het einde van 2). En hij citeert op een wat eigenzinnige manier het volledige profetenwoord. De tekst handelt over het einde der tijden, en sluit eigenlijk aan bij hetgeen wij reeds ontdekten.
De extase en het spreken in tongen moet volgens Joël verstaan worden als het komen van de geest der profetie. De geest van God, of Heilige Geest, openbaart zich op aarde voornamelijk als de geest die de profeten bezielt, en tot profeten maakt. Hoe moet men dit nader begrijpen? Volgens de gangbare joodse uitleg is na de laatste der kleine profeten uit de Schrift, Maleachi, de profetie uitgestorven. Sinds die tijd zijn er geen profeten meer en is er dus ook geen Heilige Geest meer onder de mensen. Aan het einde der tijden, wanneer Elia zal terugkeren, zal met hem ook de profetische geest of de Geest Gods weerkeren. Daarnaar kijkt men uit, dat verwacht men. Welnu, Joël beschrijft deze terugkeer van de geest der profetie aan het einde der tijden. De geest wordt dan aan alle mensen gegeven, die dan ook spontaan visioenen krijgen en dromen dromen. Alle mensen worden profeten, werktuigen van de Heilige Geest, bezeten door de Geest Gods. Op zijn beurt zegt Petrus dat dit alles nu werkelijkheid wordt, op de Pinksterdag.
Joël kondigt voor die tijd ook kosmische tekenen aan, in hemel en op aarde. Het heelal wankelt en verandert. Deze wereld gaat voorbij en een andere komt in de plaats. Als tekenen noemt de profeet dat de zon verduisterd zal worden, en de maan in bloed veranderd zal worden. Op aarde zal men zien, bloed, vuur en een rookzuil. Deze tekenen op aarde zijn verwijzingen naar de uittocht uit Egypte, naar de woestijnreis en de Sinai berg. De tocht uit het verleden zal zich dus herhalen aan het einde, maar het zal er veel heviger aan toegaan. Het neemt allemaal apocalyptische dimensies aan. De overgang naar de nieuwe wereld heeft te maken met theofanie, oordeel en behoud, voor de allerlaatste keer.
Na dit alles komt de dag des Heren, zegt de profeet Joël. De uitdrukking dag des Heren betekent voor ons de zondag, maar dit is een typisch christelijke betekenis. In de Hebreeuwse bijbel bedoelt de uitdrukking de dag van Gods verschijnen en van zijn oordeel over de mensen. Het gaat om de vreesaanjagende dag van het laatste oordeel, die men in de Middeleeuwen de dies irae, de dag van (Gods) toorn, noemde. Toch is er volgens de profeet hoop op behoud in dat oordeel. Wie de naam des Heren, de naam van God, aanroept zal behouden worden. De naam van de God van de Sinai redt! Het gaat niet om de namen van afgoden. De heilige, onuitspreekbare verbondsnaam, die God aan Mozes geopenbaard heeft, daar gaat het om. Die God respecteert immers zijn verbond met de mensen. Zo zal men gered worden uit het oordeel, juist zoals de drie jonge mannen uit de vurige oven, in het boek Daniël.
De gedachte van oordeel en behoud, wordt door Petrus naar zijn dagen overgebracht. Hij verandert er echter iets aan. Voor Petrus is de Heer, niet God, maar Jezus. Wil de prins der apostelen God onttronen, en zijn eigen meester in de plaats zetten? Zeker niet. Dit zou onvoorstelbaar zijn. Wel vindt er blijkbaar een gedeeltelijke delegatie van macht plaats, van God naar de verrezen Christus. Dit bedoelt Petrus zeker wel. De Messias krijgt een zekere middelaarsfunctie. Petrus vertelt dan ook het hele leven van Jezus, maar legt bijzondere nadruk op zijn verrijzenis. Daardoor blijkt hij de Heer te zijn. De conclusie is dan ook dat Jezus kan redden in het laatste oordeel, dat aanvangt met Pinksteren, of dat in ieder geval in de nabije toekomst plaats zal vinden.

Voor Petrus is met de opstanding van Jezus en met de uitstorting van de Heilige Geest het einde der tijden aangebroken. Wij kunnen dit vrij moeilijk begrijpen. Voor ons is de wereld eeuwigdurend. Wij ijveren dag en nacht om te bouwen en te verwerven, alsof de vrucht van onze inspanningen altijd zal blijven bestaan. De wereld waarin wij leven laat ook niets bespeuren van het gekomen zijn van het einde of het oordeel. Waarom zou alles niet blijven verder draaien, zoals het steeds gedraaid heeft, eindeloos? Er is in ons denken en ons leven op deze wijze geen plaats voor God en zijn oordeel. Het Pinksterfeest functioneert binnen het wijde en grootse bijbelse raam, met verwijzingen naar het vuur van de Sinai en naar de terugkeer van de geest der profetie. Het hangt samen met het einde van deze wereld en met de geboorte van de nieuwe. In dat verband past ook het oordeel en het behoud. De mensen ten tijde van Noach dachten ook dat de wereld zonder einde was, en zij kregen ongelijk.

Bron: Ds. G. Willems


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be