Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 45 van het kerkelijk jaar.
Deuteronomium 32,1-14 • Marcus 14,32-42 •
Onze tijd wordt gekenmerkt door een zekere animositeit en rivaliteit tussen mannen en vrouwen. Iedere groep wil de eerste zijn, of in ieder geval niet onderdoen voor de andere. Zo heeft men naast de traditionele en eerbiedwaardige moederdag ook een vaderdag gecreëerd. In dezelfde geest vindt men het oneerlijk om tot God te bidden als Vader. Waarom geen Moeder? Of waarom niet de beide? De Heilige Schriften hanteren het begrip Vader en hebben daar een historische reden voor, men wilde waarschijnlijk het naturalisme van de zeer populaire moedergodin ontlopen. Het bijbelse woord Vader betekent echter niet dat de Moeder wordt uitgesloten. Een oude rabbijn zegt het mooi: God heeft medelijden, als een vader met zijn kinderen (zie Psalm 103,13), en hij troost, als een moeder (zie Jesaja 66,13) (vergelijk Pesiqta, ed.Mandelbaum p.305).
Wat houdt het woord vader als algemeen menselijk begrip eigenlijk in? Een vader is een man die kinderen heeft. Hij biedt deze kinderen bescherming, voedsel, kleding, enzovoort. Het gebed luidt: onze Vader die in de hemelen zijt. Men kan dit zo uitleggen dat wij ons vaderbegrip in de hemel zouden moeten projecteren. God is dan de grote vader van alle mensen. Hij zorgt voor hen, en geeft bijvoorbeeld zon en regen. Alle mensen kunnen zo tot elkaar zeggen: Broeder, achter de sterren moet een lieve Vader wonen!... Is dit de bedoeling van het gebed? Neen, zeker niet. De woorden in de hemel willen niet de overeenkomst met onze aarde, maar juist het verschil ermee, aangeven. De hemel is ons onbekend, en zo is de God in de hemel voor ons de verborgene. Dit blijkt wanneer men echt rondom zich kijkt. Hoe kan men de lieve Hemelvader rijmen met natuurrampen, oorlogen, aids en drugs, en met de dood? Onze generatie schudt aan de tralies van de wereld en roept om verantwoording.
Wij kunnen ons onmogelijk een beeld vormen van onze Vader die in de hemelen is. Hij kan zich echter wel aan ons bekend maken. Hij kan uit zijn mysterieuze milieu treden en zich aan ons openbaren. Dit heeft te maken met een bijzondere geschiedenis, waarover de Heilige Schriften spreken. De kerkvader Cyprianus (onthoofd in 258), uit Noord-Afrika, zegt het zo.
Dit woord (Vader) is ook een blaam en een oordeel over de joden. In hun ontrouw hebben zij immers de Christus veracht, die hun door de profeten was beloofd, en in de eerste plaats voor hen gezonden was. Als toppunt hebben zij hem wreedaardig ter dood gebracht. Zij mogen God niet meer hun Vader noemen want...zij hebben de duivel tot vader...hij was een mensenmoordenaar van den beginne... Om hen te krenken zeggen de christenen in het gebed: onze Vader. Want inderdaad, God is begonnen onze Vader te worden, en heeft opgehouden die der joden te zijn, die hem verlaten hebben. Het ontrouwe volk kan geen zoon zijn... (Cyprianus, Onze Vader § 10).
Wij hebben hier met echt christelijk antisemitisme te doen. Cyprianus meent de joden te kunnen veroordelen, en ontzegt hen het recht God nog langer Vader te noemen. God is immers de Vader der christenen geworden. Ondanks dit antisemitisme zit de kerkvader wel in het echte probleemgebied. Het gaat om Gods openbaring als vader aan het volk Israël en aan het volk van Christus. Hoe zit de vork werkelijk in de steel?
In de Hebreeuwse bijbel wordt het vaderbegrip zeer weinig op God toegepast. De reden hiervoor heeft waarschijnlijk weer met het heidendom te maken. Men weigerde de begrippen der andere godsdiensten te hanteren. In Israël is de verbondsgedachte primair, en het verbond heeft de vaderidee bepaald. God kiest Israël en gaat er een unieke relatie mee aan. Gods trouw aan zijn verbondspartner, die nu eens een positieve houding aanneemt, en dan weer een negatieve, doet hem kennen als de geduldige, liefdevolle vader. God is de vader, en Israël de zoon. Deuteronomium 8,1-10 vertelt hoe God zijn volk Israël in de woestijn, na de uittocht uit Egypte, opvoedt, zoals een vader zijn zoon opvoedt. God gebruikt als middel daartoe de vernedering en de armoede van het volk, en ook de honger. Hij geeft dan het manna. In onze eerste lezing, uit Deuteronomium 32, hoorden wij in het zeer poëtische lied van Mozes, hoezeer de Vader voor zijn zoon zorgt. Desondanks is deze opstandig en ondankbaar jegens hem. Aan het beeld is verder ook een universeel aspect verbonden. Wanneer Israël de eerstgeboren zoon heet (Exodus 4,22 Jeremia 31,9), betekent dit immers dat er andere, later gekomen zonen zijn, namelijk de andere volkeren... Later, in de tijd van de ballingschap en de terugkeer, gaat men God bij voorkeur vertrouwelijk Vader noemen, als een soort compensatie voor de harde beproevingen van de geschiedenis. Ook in de gebeden spreekt men dan graag tot ‘onze Vader’, of zelfs ‘mijn Vader’.
Naderhand bouwen de rabbijnen verder aan het Vader-zoon beeld uit de Heilige Schrift. Een der mooiste bewerkingen laten wij hier uitvoerig volgen.
En de engel Gods, die vóór het leger van Israël uitging, verplaatste zich en ging achter hen aan (Exodus 14,19). Rabbi Jehuda (ben Elai, 150 n.Chr.) zegt: Zie, dit is een rijk Schriftwoord, (te vinden) in veel plaatsen. Hij vergelijkt het met een gelijkenis. Op wat gelijkt de zaak? Op een koning van vlees en bloed, die op reis was, en zijn zoon met hem. In de woestijn kwamen rovers om hem te kidnappen, van vóór hem. Hij nam hem op en plaatste hem achter zich. Kwam een wolf om hem te verscheuren, van achter hem. Hij nam hem op en plaatste hem vóór zich. Rovers, van vóór hem, en een wolf, van achter hem... Hij nam hem op, en deed hem rijden op zijn schouder. Over dit aspect is er gezegd: In de woestijn hebt gij gezien dat JHWH, uw God, u gedragen heeft, zoals een man zijn zoon draagt (Deuteronomium 1,31). Hij begon ongemakkelijk te worden. Hij nam hem in zijn armen. Over dit aspect is er gezegd: Ik leerde Efraïm lopen, nam het in mijn armen (Hosea 11,3). Hij begon ongemakkelijk te worden door de zon. Hij spreidde zijn kleren over hem uit. Want er is gezegd: Hij spreidde een wolk uit om te bedekken (Psalm 105,39). Hij kreeg honger. Hij gaf hem brood te eten. Over dit aspect is er gezegd: Zie ik doe voor u brood regenen uit de hemel (Exodus 16,4). Hij kreeg dorst. Hij gaf hem water te drinken. Want er is gezegd: Hij deed beken ontspringen uit de rots (Psalm 78,16) (Mechilta Rasjbi, ed.Epstein p.60).
Om dit hele citaat goed te verstaan moet men zich voorstellen dat de koninklijke vader, met zijn zoon, op een ezel reist. Aan het begin van de gelijkenis zit de zoon vóór de vader op het dier. Om hem met zijn eigen lichaam voor de verschillende gevaren te beschermen, verplaatst de vader de jongen, eerst achter zich, daarna weer vóór zich. Dan op de schouder, enzovoort. Alle bewegingen en verdere voorzieningen worden met Schriftverzen bewezen, die over de exodus-tijd handelen. Het vormt een schitterend geheel. In dezelfde rabbijnse periode ontwikkelen zich ook twee typische standaardbenamingen, waarmee men God aanspreekt onder meer in gebeden. Avinoe Malchenoe = onze Vader onze Koning, bijvoorbeeld in het achttiengebed en het sjema. Avinoe sjèbasjamajim = onze Vader die in de hemelen zijt, bijvoorbeeld in het qaddisj. Telkens is het zo dat het eerste woord de nabijheid Gods aanduidt, en het tweede de distantie en majesteit. Zo wordt het godsbeeld in evenwicht gehouden, en blijft het tevens een levende realiteit. Hiermee hebben wij de algemeen joodse situatie geschetst.
Bijzondere personen en uitzonderlijke situaties, hebben de vaderbenaming voor God, echter verder beïnvloed. Wanneer het volk Israël in grote nood verkeert en ten onder gaat, durven sommigen het aan zeer intiem met God te worden. Zo spreekt rabbi Tsadoq bij de verwoesting van Jeruzalem in het jaar 70 van mijn (enkelvoud) Vader die in de hemelen zijt. En bij de vervolgingen der joden onder keizer Hadrianus in 135 gebruikt men zelfs Abba (Aramees papa) die in de hemelen zijt. Vóór onze tijdrekening spreekt de chassid Choni de cirkeltrekker, tijdens een ernstige droogteperiode, onrechtstreeks over mijn Vader. Een enkele van deze Eerste Chassidim gebruikt zelfs de aanduiding Abba (1). Het gevaar van deze individuele, zeer persoonlijke Godsrelatie, bestaat hierin dat men de collectiviteit van de volksgemeenschap zou verwaarlozen. Het volk Israël als geheel moet immers steeds voorop staan, volgens het denken der rabbijnen.
Hoe staat het nu met Jezus en met het gebruik van de formule, onze Vader die in de hemelen zijt? Als jood neemt Jezus heel normaal de rabbijnse uitdrukkingen over, evenals de formules uit de liturgie van de synagoge. In de vier evangeliën samen vindt men 19maal in Jezus’ mond bij het bidden het woord Vader. Dit is veelvuldiger dan het gewone joodse gebruik, maar verder niet nieuw. Voor het gebed dat Jezus aan zijn discipelen leert, gebruikt hij de lange formule ‘onze Vader die in de hemelen zijt’ (Matteüs 6,9) en/of het korte ‘Vader’ (Lucas 11,2). In de nood en vertwijfeling van Getsemane - maar alleen bij Marcus - gebruikt Jezus het woord Abba. Wij lazen het in ons tweede Schriftgedeelte. Abba is het gewone alledaagse volkswoord voor papa. In de liturgie wordt het nooit gebruikt, het klinkt te familiair en te intiem. Jezus doet het wel in zijn zeer persoonlijk noodgebed; wij zagen dat dit in het jodendom niet onmogelijk is. Jezus geeft in de evangeliën duidelijk blijk van een unieke relatie tot God, ook dit betekent geen tegenstelling met de joden. Het ligt in de lijn van buitengewone figuren, maar gaat tevens verder. Jezus is als Messiaanse persoonlijkheid verbonden met het einde der tijden en wordt de uiteindelijke leider. Hij is, als de representant van het volk, de geliefde zoon van God, denken wij maar aan de hemelstemmen bij de doop en bij de verheerlijking op de berg. Hij is de Christus van de Petrusbelijdenis, die bij Matteüs ook ‘zoon Gods’ genoemd wordt. In Johannes 20,17 maakt Jezus zeer scherp het onderscheid tussen zichzelf en de discipelen wat betreft de relatie tot God: ik vaar op naar mijn Vader en uw Vader, naar mijn God en uw God. Zijn relatie is uniek en onvergelijkbaar.
Wat houdt het nu in, wanneer Jezus zijn discipelen en de verdere christenen leert bidden, onze Vader die in de hemelen zijt? Voor de joodse discipelen van Jezus betekent het niets nieuws. Zij kennen het allemaal vanuit hun moedergodsdienst. Er is enkel een bijkomend nieuw elementje. Als Jezus de Messias is, dan is het einde der tijden nabij, en dan staat het hemelse Vaderschap op het punt concreter te worden dan ooit tevoren. God als Vader zal tot zijn wereld komen, alles vernieuwen, en er heersen als Koning. Voor de heidense christenen, die later zullen volgen, is echter alles nieuw. Zij kennen geen hemelse Vader in de geest van de Heilige Schriften. Van verbond en exodus hebben zij nooit gehoord, evenmin als van Messias. Door adoptie mogen die heidenen nu ook tot God bidden, samen met Israël: onze Vader die in de hemelen zijt. Via Jezus hebben zij op een speciale manier deel gekregen aan het heil dat die Vader geeft. Israël is de onvervangbare eerstgeboren zoon, maar er zijn andere zonen, onder meer de heiden-christelijke. De christenen uit de heidense volkeren kunnen, op hun specifieke wijze, ook tot God bidden als hun hemelse Vader.
Bron: Ds. G. Willems
(1) Alles over de Eerste Chassidim kan men vinden in Gerard F. Willems, Jezus en de Chassidim van zijn dagen, een godsdiensthistorische ontdekking, Baarn 1996. Voor de vader-zoon vragen zie men vooral p.184-189.
Franstalige versie: protestanet.be