Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

18 - Jezus wandelt over het meer.

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 18 van het kerkelijk jaar (veertigdagen)
Marcus 6,45-52 • Exodus 14,19-31 •

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. WillemsWanneer men in de wereld der godsdiensten over wonderen spreekt, dan onderscheidt men gewoonlijk drie soorten. Er zijn miraculeuze genezingen, uitdrijvingen van demonen, en ten derde natuurwonderen. Wat de evangeliën betreft, vindt men ook bij Jezus de drie soorten terug. Het gedeelte dat wij lazen uit Marcus, hoort thuis onder de natuurwonderen die verband houden met de zee, juist zoals het stillen van de storm (Marcus 4,35-41). Het verhaal van Jezus’ wandelen over het meer is, ons inziens, het moeilijkste stuk uit het hele Nieuwe Testament. Hoe moet men dit wonderlijke verhaal verstaan? Wat betekent het? Alle evangelisten hebben het, met uitzondering van de ‘kritische historicus’ Lucas, die overigens wel het stillen van de storm vertelt. Abstracte redeneringen over wat nu eigenlijk een natuurwonder is, zullen ons niet helpen om de evangelisten te verstaan. Het enige wat wel kan helpen, is onze geschiedenis uit Marcus plaatsen en lezen binnen het brede raam van de oude bijbelse, joodse en christelijke overleveringen, en zien of er verbanden tussen al dat materiaal bestaan. Zinspelingen op allerlei teksten of verhalen moeten ons de sleutel van het mysterie geven. Het wordt dus een lange en moeilijke speurtocht in oude geschriften, maar het resultaat loont ongetwijfeld de moeite. Zeven verschillende punten uit ons verhaal willen wij behandelen.

Ten eerste, staat er dat Jezus wandelde over de zee. In Psalm 77,20 klaagt Israël in ballingschap over zijn godverlatenheid en herinnert zich vol weemoed de uittocht uit Egypte van weleer. Vooral de doortocht door de Schelfzee (Rode Zee) in een groot onweer wordt vermeld, met de uitdrukking uw weg (van God) was in de zee. Jesaja 43,16 speelt ook tijdens de Babylonische ballingschap van het joodse volk. Het moet zich het gebeuren van de Rode Zee herinneren, JHWH die een weg geeft in de zee. Maar thans zal God nog meer doen dan toen, hij zal zijn volk doen terugkeren, het wordt een nieuwe exodus. In de apocriefe Wijsheid van Salomo 14,3 gaat het over de mensen die de zee bevaren en de gevaren van die onderneming. De heidense zeeman maakt zich een houten beeldje van een afgod. De jood weet echter dat God hem op zee beschermt, God heeft het bewezen bij de doortocht door de Rode Zee gij (God) hebt in de zee een weg gegeven. In de rabbijnse litteratuur kan men lezen dat de mens zich een pad op de weg maakt, God echter een pad in de zee, zie Psalm 77,20. Wij kunnen uit al deze teksten reeds voorlopig concluderen dat het wandelen van Jezus op de zee verband houdt met de uittocht uit Egypte, meer bepaald met de doortocht door de Schelfzee. Dit gebeuren uit het verleden wijst naar de toekomende uittocht, en stemt tevens in het heden tot vertrouwen in God.
Ten tweede, staat er dat het gebeurt omstreeks de vierde wake van de nacht. In de Oudheid werd de nacht ingedeeld in verschillende waken. De Romeinen kenden vier nachtwaken, zodat de vierde wake het einde van de nacht betekent en het aanbreken van de dag. De Hebreeuwse bijbel rekent echter anders, hij deelt de nacht in drie waken in. De derde wake betekent dan het einde van de nacht, en een vierde bestaat niet. Nu spreekt het Oude Testament onder andere in Exodus 14,24 over de morgenwake, het doet dit bij het vertellen van de doortocht door de Rode Zee. De uitdrukking vierde wake verbindt dus opnieuw het Jezusverhaal met dat van de doortocht en maakt vooral duidelijk dat het om twee nachtelijke geschiedenissen gaat. Ook het moment van de nacht is hetzelfde in de twee gevallen.
Ten derde, denken de discipelen dat Jezus een spook is. Het reeds genoemde apocriefe boek Wijsheid van Salomo 17,4 en 14 vertelt over de negende plaag van Egypte, de plaag der duisternis. De duisternis is zo dik dat men die niet kan verdrijven met het maken van vuur. Iedereen is bang. Ook worden spoken gezien... Verschillende hoofdstukken van dit geschrift vormen een soort haggada van Pesach, dit wil zeggen een soort vertelling bij de joodse feestmaaltijd. In 19,7 wordt daarbij de doortocht door de Rode Zee genoemd. Het woordje spook uit ons Marcusverhaal suggereert dus een verband met de plagen van Egypte en de haggada van Pesach.
Ten vierde, zegt alleen Marcus dat Jezus hen wilde voorbijgaan. Het werkwoord voorbijgaan roept twee soorten reminiscenties op. Allereerst zijn er reminiscenties die weer naar het Pesachfeest verwijzen. In Exodus 12,13 en 23 en 27 is er sprake van het voorbijgaan van God aan de huizen der Israëlieten, waarop bloed van het Pesachlam is aangebracht. De teksten zijn niet helemaal duidelijk, want de ene keer is het de straffende God die voorbijgaat, en de andere de verderfengel die de eerstgeborenen doodt. Voorbijgaan betekent hier in ieder geval gespaard worden van het onheil. Voorbijgaan wil zeggen redden, en het werkwoord voorbijgaan (in het Hebreeuws pasach) zit in Pesach, de naam van het feest. We hebben hier ongetwijfeld met een verwijzing te maken die erg zwaar weegt. De andere reminiscenties hebben te maken met het zich openbaren van God op de berg Sinai aan zijn dienaren Mozes en Elia. In Exodus 33,19 en 22v gaat het over Mozes die heeft gevraagd Gods heerlijkheid te zien. God zal inderdaad aan hem voorbijgaan (een ander Hebreeuws werkwoord wordt hier gebruikt), maar hem tegelijk met zijn hand beschermen. Want Gods aangezicht kan niemand zien. In 1Koningen 19,11 is Elia op de Sinai om zijn beklag te doen. God gaat aan hem voorbij, openbaart zich aan hem, en spreekt ook met hem. Elia bedekt zijn gelaat. Wij kunnen hier dus zeggen dat het voorbijgaan van Jezus te maken heeft met Pesach en met de redding van de eerstgeborene bij dat feest; verder met God en zijn theofanie of openbaring aan zijn vertrouwelingen op de Sinai.
Ten vijfde, dient ook aandacht geschonken aan het verhaal dat aan het onze voorafgaat, namelijk dat van de broodvermenigvuldiging of de spijziging der 5000. Deze geschiedenis en de onze zijn in de overlevering onlosmakelijk aan elkaar gebonden; zelfs het eigenwijze Johannesevangelie getuigt daarvan (Johannes 6,1-15). Nu geldt ook voor de spijziging der 5000 dat het verband houdt met Pesach. Het verhaal speelt in het voorjaar, en de vijf broden zijn gerstebroden van de nieuwe oogst, die ongezuurd gegeten worden. Juist zoals de broden der eerstelingen die, bij een vergelijkbaar wonder van Elisa, vermeld worden in 2Koningen 4,42. Het feest der ongezuurde broden is verweven met Pesach, en samen duren ze acht dagen (14-21 van de maand nisan).
Ten zesde, moet men ook omgekeerd redeneren en zeggen dat het feest van Pesach mede tot inhoud de doortocht door de Schelfzee heeft. Dit blijkt onder meer uit de tekst van de psalmen die bij de Pesachmaaltijd, de zogenaamde seder, gezongen worden. Er is in de eerste plaats het grote hallel, psalm 136, dat alle momenten van de uittocht opsomt, en ze telkens met het refrein want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid afsluit. Welnu, in de verzen 13-15 wordt de doortocht door de zee vermeld in nauwe relatie met de eigenlijke uittocht. In het gewone hallel, dat eveneens gezongen wordt, vindt men in psalm 114,3 en 5 weer de doortocht door de zee. Heden nog leest men in de synagoge in Israël, op de laatste dag van Pesach, het verhaal van de doortocht door de Schelfzee, met het lied van Mozes.
Ten zevende, lezen wij in ons verhaal dat Jezus tot de bevreesde discipelen zegt, ik ben het. Daarmee stelt hij hen gerust. De uitdrukking ik ben, is een typische openbaringsformule die hoort bij een theofanie. Wanneer God zich aan Mozes bekendmaakt bij het brandende braambos in Exodus 3,14 dan klinkt het, ik ben die ik zal zijn. Ik ben, is de formule waarmee God zichzelf voorstelt en zichzelf blootgeeft aan de mensen. Deze theofanie aan Mozes zal leiden tot de uittocht. Maar de ik ben formule, is nog meer bekend uit het begin van de tien geboden. Ik ben JHWH uw God, die u uit het land Egypte, uit het slavenhuis, geleid heb. Dit is de klassieke godsopenbaring voor heel het volk Israël, de eeuwen door. Wij kunnen hier besluiten dat Jezus’ ik ben, zinspeelt op Gods zelfopenbaring, en gekoppeld is aan de exodus.

In Marcus’ weergave van het verhaal van Jezus die wandelt over het meer, hebben wij zo een reeks zinspelingen menen te ontdekken. De vraag is nu, wat betekent dit voor Jezus zelf en voor zijn opdracht in de wereld? Wat wil de evangelist over Jezus duidelijk maken?
Jezus wandelt over de zee in de nacht van Pesach, de wonderlijke en aangrijpende nacht van de uittocht uit Egypte. Het is alsof de eigenlijke nacht van de exodus, onmiddellijk na het eten van het lam, versmelt met de andere nacht, het moment van de doortocht door de Rode Zee. Eigenlijk hangen beide nachten ook samen, want het is pas na de doortocht van de zee, dat de Egyptenaren uitgeteld zijn, en de uittocht definitief geslaagd is. De nacht van Pesach is het moment van het wonderlijke optreden van God voor zijn uitverkoren volk. Pas dan is het een vrij volk.
De dag voordien heeft Jezus de 5000 gespijzigd. Hij heeft dit gedaan op een wonderlijke manier, zoals reeds de opvolger van Elia dat deed. Deze daad krijgt een nog diepere dimensie wanneer men beseft dat zij plaatsvindt op het ogenblik dat de joden de sedermaaltijd vieren. Een derde beeld komt daar nog eens bovenop, de instelling van de eucharistie door Jezus, vlak voor zijn arrestatie. Het ene gebeuren krijgt diepte door het andere, en de drie momenten versmelten tot één geheel. Het Avondmaal verwijst naar Jezus’ dood en zijn heerlijkheid in het Koninkrijk van God.
In de nacht loopt Jezus op het water. De zee is de dood waarin Israël was omgekomen, indien God niet ingegrepen had. Het water symboliseert alle boze machten die verband houden met het dodenrijk, dat diep in de oceaan verborgen is. Deze machten willen de mens voor goed als slaven ketenen. Maar Jezus loopt op het water en vertreedt het dodenrijk. Hij overwint en onderwerpt het. Jezus doet dit in een schimmige vorm, zodat men hem voor een geest, een spook, een demon kan houden. Hij blijkt echter een goede geest te zijn, namelijk de opgestane uit de dood. In het geheim van de mysterieuze nacht is hij verrezen op de Paasmorgen. Jezus’ optreden doet denken aan verhalen van na zijn opstanding. Johannes 21 is zo een typische geschiedenis. Jezus is niet meer de gewone Jezus. Als opgestane vertreedt hij het dodenrijk.
Maar zijn overwinning is bestemd voor het volk, juist zoals de uittocht uit de slavernij van Egypte. Het gaat hier om de exodus van de eindtijd, de Messiaanse uittocht. Jezus voert de mensen uit de slavernij van de dood en alle duistere machten. Hij gaat voor en wijst de weg. Hij is reeds uit de dood verrezen, maar het volk is nog niet zover, het is nog niet gevolgd. Het zal echter wel zover komen, daar kan men op vertrouwen. Die tijd komt, die mag men verwachten.
Ondertussen kunnen de mensen, zelfs wanneer zij op de zee des doods dobberen, vertrouwen op de Opgestane. Zij kunnen leven in hoop, in geloof... Het korte en oorspronkelijke slot van het Marcusevangelie, vertelt met geen woord over verschijningen van de Opgestane. Marcus heeft dit zonder twijfel met opzet zo gewild. Zijn heidense lezers in Rome konden het joodse geloof in de lichamelijke opstanding der doden niet verstaan. Paganisten kunnen met de lichamelijke verrijzenis der doden enkel spotten, juist zoals de geleerde Atheners (Handelingen 17,32 1Korintiërs 15,12v) dat deden. Om dit misverstand te vermijden vermeldt de evangelist de zaak dus niet. Maar voor de goede verstaander, die de geheimen van de Heilige Schriften kent, wandelt in Galilea de opgestane Heer over de wateren des doods. Het gaat om het geheim van de Paasnacht, precies in ons verhaal. De verrijzenis van de Messias, als eersteling der doden, als begin van de uittocht uit deze oude wereld.
De mysterieuze schim op het water openbaart zichzelf. Hij maakt zich eigenlijk aan ons bekend, in de tijd die vóór het einde van alle dingen ligt. Hij zegt ik ben het. Dit duidt op zijn verheerlijking en macht als verrezene. Hij is nu duidelijk drager van het gezag dat God hem gegeven heeft. Tegelijk betekent het ik ben dat hij de leider is van de Messiaanse uittocht, de leider van de verlossing uit de slavernij. Die verheerlijkte Jezus klimt aan boord bij de verschrikte discipelen. En onmiddellijk gaat de storm liggen. De discipelen die, zoals wij, in een boot rondzwalpen in de storm, op de wateren des doods, hoeven niet bevreesd te zijn. De Opgestane, de leider van de definitieve exodus, komt aan boord. Er kan uiteindelijk niets verkeerd gaan. En ook nu kan hij de storm stillen.

Bron: Ds. G. Willems


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be