Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

Het boek met het Gouden slot

Bijbelse verhalen verteld voor kinderen
Thema: Als God opent kan niemand sluiten
Openbaring 3: De sleutel van David

Bijbeltekst (NBV)

Openbaring 3

1 Schrijf aan de engel van de gemeente in Sardes:

"Dit zegt hij die de zeven geesten van God en de zeven sterren heeft: Ik weet wat u doet; overal wordt beweerd dat u het leven hebt, terwijl u dood bent. 2 Word wakker, versterk uw laatste krachten: u bent op sterven na dood. Want ik merk dat uw gedrag tekortschiet in Gods ogen. 3 Herinner u dat u de boodschap hebt ontvangen en begrepen. Houd eraan vast en breek met het leven dat u nu leidt. Maar als u niet wakker wordt, kom ik onverwacht als een dief, op een tijdstip dat u niet kent. 4 Maar enkelen in Sardes hebben hun kleren schoon gehouden. Zij zullen bij me zijn, in het wit gekleed, want ze verdienen het.
5 Wie overwint zal zich ook in het wit kleden. Ik zal zijn naam niet uit het boek van het leven schrappen, maar juist voor hem getuigen ten overstaan van mijn Vader en zijn engelen. 6 Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt."

7 Schrijf aan de engel van de gemeente in Filadelfia: "Dit zegt hij die heilig en betrouwbaar is, die de sleutel van David heeft - wanneer hij opendoet, kan niemand sluiten, wanneer hij sluit, kan niemand openen: 8 Ik weet wat u doet. Ik heb ervoor gezorgd dat de deur voor u openstaat, zonder dat iemand hem kan sluiten. Want ook al hebt u weinig invloed, u bent trouw gebleven aan wat ik heb gezegd en hebt mijn naam niet verloochend. 9 Ik zal mensen laten komen die bij Satan horen, leugenaars die zich Joden noemen en het niet zijn; zij zullen zich eerbiedig aan uw voeten neerwerpen en erkennen dat ik u heb liefgehad. 10 Omdat u trouw bent gebleven aan mijn gebod om stand te houden, zal ik u ook trouw zijn wanneer binnenkort de tijd van de beproeving aanbreekt, als heel de aarde en de mensen die er leven op de proef worden gesteld. 11 Ik kom spoedig. Houd vast aan wat u hebt, dan zal niemand u de lauwerkrans kunnen afnemen.
12 Wie overwint maak ik tot een zuil in de tempel van mijn God. Daar zal hij voor altijd blijven staan. Ik zal op hem de naam schrijven van mijn God en van de stad van mijn God, het nieuwe Jeruzalem dat bij mijn God vandaan uit de hemel zal neerdalen, en ook mijn eigen nieuwe naam. 13 Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt."

14 Schrijf aan de engel van de gemeente in Laodicea:
"Dit zegt Amen, de trouwe en betrouwbare getuige, het begin van Gods schepping: 15 Ik weet wat u doet, hoe u niet koud bent en niet warm. Was u maar koud of warm! 16 Maar nu u lauw bent in plaats van warm of koud, zal ik u uitspuwen. 17 U zegt dat u rijk bent, dat u alles hebt wat u wilt en niets meer nodig hebt. U beseft niet hoe ongelukkig u bent, hoe armzalig, berooid, blind en naakt. 18 Daarom raad ik u aan: koop van mij goud dat in het vuur gelouterd is, en u zult rijk zijn; witte kleren om u te kleden en uw naaktheid te bedekken, zodat u zich niet meer hoeft te schamen; zalf voor uw ogen, zodat u weer kunt zien. 19 Iedereen die ik liefheb wijs ik terecht en bestraf ik. Zet u dus volledig in en breek met het leven dat u nu leidt. 20 Ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal ik binnenkomen, en we zullen samen eten, ik met hem en hij met mij.
21 Wie overwint zal samen met mij op mijn troon zitten, net zoals ik zelf overwonnen heb en samen met mijn Vader op zijn troon zit. 22 Wie oren heeft, moet horen wat de Geest tegen de gemeenten zegt."'

Verhaal

Mijn grootmoeder Sofia Amalia Mandelkern heeft in de kerk uit Openbaring 3 gelezen dat de Heer zegt:

Ik heb de sleutel van David, als Ik open doe
kan niemand sluiten, en als Ik sluit
kan niemand open doen. Ik heb de deur wijd
voor jullie open gezet.

Zij heeft het kamp Sobibor overleefd, ik vond dat heel toepasselijk.
‘Door een open deur', zei dominee Geurs, ‘kan je zomaar naar binnen.
Of naar buiten, net wat je wilt. Maar als het de deur is van een gevangenis, kan je maar één kant uit!'
‘Naar binnen bij mijn buurvrouw, dat moet ik niet proberen!' zei Pascal, ‘ik mag geen voet over haar drempel zetten. Ze maakt altijd ruzie, en dan gooit ze de deur dicht'.
‘Ja', zei dominee Geurs, ‘dan kan jij die niet open krijgen, Pascal!'
"Dat zou ik ook voor geen goud willen', zei hij, ‘maar bij mijn oma staat de deur altijd wijd open, dat zegt ze altijd!'

‘Daar heb ik een verhaal over', zei hij, ‘iets dat ik zelf heb beleefd. Het verhaal heet:

HET BOEK MET HET GOUDEN SLOT.

Het boek met het gouden slotHet boek is een Bijbel, die staat bij ons thuis, en heeft een gouden slot...'
‘Geen wonder', zei dikke Hendrik, ‘de Bijbel is kostbaar, is het een héél erg dik boek, of is het een kleintje?'
‘Het is niet groot', zei dominee Geurs, ‘maar wèl dik. Het is van mijn grootmoeder geweest, dat is al heel lang geleden. Ze nam het altijd mee naar de kerk, ze hield het dan in haar hand, en als de zon scheen, dan glansde het gouden slot dat erop zat, zó prachtig!'
‘Maar waarom zàt er dan een slot op?'vroeg Hendrik, ‘mocht ze er dan niet in lezen?'
‘Ja hoor, natuurlijk wel', zei dominee Geurs, ‘maar dan viel het niet open, als ze het in de hand had. Want ze bewaarde er allemaal mooie dingetjes in!'
‘Mooie dingetjes...'zei Hendrik, en hij keek naar Marie. ‘Zij knipt van papier mannetjes en vrouwtjes, die geven elkaar de hand, hele slingers maakt ze ervan. Lagen die ook in dat Boek van uw oma?'
Pascal zat met zijn hoofd te schudden, en slaakte een diepe zucht. Maar de dominee zei: ‘Misschien wel, lieve jongen. Ik weet dat ze er een boom in had...'
‘Een bóóm in haar Bijbel?' vroeg Hendrik met open mond, ‘dominee, u mag niet liegen in de kerk!'
‘Nee, Hendrik, dat weet ik. Maar ze hàd een boom, die was geknipt uit papier, met heel veel takken, zelfs blaadjes zaten er aan. Als ze die op een blaadje zwart papier legde, zag je dat nog beter. Dan zei ze altijd tegen mij: ‘Dit, lieve jongen, is de Boom van de Wijsheid. Die komt uit het Paradijs!'

‘En nu het verhaal', zei Pascal.
En toen begon hij, en hij vertelde dit:
‘Die Bijbel met dat gouden slot ligt nu bij mij thuis, want mijn grootmoeder leeft allang niet meer. En dat slot is kapot..'
‘Dus het Boek gaat altijd open', zei Hendrik, ‘en dan valt die boom van het Paradijs er uit!'

‘Stil nou!!' riep Pascal, ‘laat hem vertellen, gaat u maar verder a.u.b!'
‘Ik vond dat niet goed dat het slot kapot was, lieve kinderen. Ik vond dat ik daar wat aan moest doen. Steeds deed ik het dicht en dan viel het weer open, dat moest zo niet.
Dus ik naar de goudsmid in Dokkum. Ik zeg: ‘Goudsmid, ziet u dit Boek?'
‘Prachtig boek, mijnheer, geweldig mooi slot, zelden zo iets moois gezien!' Dat zei de goudsmid, hij had een vergrootglas op zijn voorhoofd, en hij keek er door met één oog dicht.
‘Het is stuk', zei hij, ‘helemaal versleten, mijnheer, door het vele gebruik. De mensen van vroegen lázen tenminste nog in hun Bijbel tot hij kapot was!'
‘Ik wil dat u hem weer maakt', zeg ik, ‘goudsmid, kunt u dat?'
‘Volgende week is het klaar', zegt hij, ‘komt u maar vrijdag, dan kunt u er zondag in de kerk uit lezen!'
‘Hebt u het bij u?' vroeg Pascal met grote ogen.
‘Volgende zondag', zegt hij.
‘Ik ga dus naar huis, en ik zeg tegen moeder Hilda: ‘De goudsmid zegt: kom maar vrijdag, dan kunt u er zondag uit lezen!'
Iedereen blij, en toen het vrijdag was, ging ik er heen...'
‘En toen gebeurde er wat!' zei dikke Hendrik, en verschoof in zijn bank.

‘Ja, kinderen, toen gebeurde er zéker wat. Ik kom in de winkel, ik vraag om mijn Boek. ‘Ja, mijnheer, het is klaar, Bosma was de naam, niet? Kijk eens, hier is het!' Want ik had de naam van mijn vrouw opgegeven, mijn naam schrijven ze altijd fout: Geurs, Guus, Gers of Geurts, in Spanje zelfs: Guers. Nee, Bosma is beter.
Ik pak het boek, en het ziet er prachtig uit. En het slot doet het weer, keurig open en dicht. ‘Maar het wàs helemaal niet kapot!'zegt de goudsmid en kijkt door zijn vergrootglas naar mij. ‘Ik heb er wat olie in gedaan, en kijk! Open, dicht, open!'

Het boek met het gouden slotIk neem het Boek mee naar huis, maar vind het wel vreemd.
‘Kijk eens hoe goed de goudsmid het Boek heeft gemaakt!' zeg ik tegen moeder Hilda. ‘Open, dicht, open, en het was helemáál niet kapot, er moest alleen wat olie in!'
Ja kinderen, dat dàcht je! Opeens kon ik het Boek niet meer open krijgen! Het slot zat muurvast, geen beweging in!'
‘Oh, oh!', zei Pascal, ‘jammer van de olie!'
Dan zegt moeder Hilda: ‘Maar dit is ons Boek helemaal niet! Het lijkt er op, maar het is veel minder versleten, dit is bijna nooit gebruikt!'

Ik dus terug naar de winkel. ‘Dat kàn niet!', zegt de goudsmid, ‘wat u daar zegt! Onmogelijk is dat!'
Maar ook hij kreeg het slot niet meer open. ‘Geen beweging in te krijgen', zegt hij, ‘maar hoe kàn dat nou!?'
‘Het is, geloof ik, mijn boek niet', zeg ik, ‘dit is veel minder versleten, hebt u het soms verwisseld?'
‘Denkt u dat ik oneerlijk ben, mijnheer? Hoe durft u dat tegen mij te zeggen!'
Hij is heel erg boos, zijn vergrootglas valt van zijn voorhoofd in de la . ‘Wacht eens', zegt hij opeens, ‘wacht eens eventjes!'
Hij haalt er een boek uit, precies zo als het mijne. Néé, het wàs het mijne, daar is geen twijfel aan! Ik pak het in mijn hand, en meteen valt het open'.
‘En de Boom van het Paradijs viel er zeker uit!', zei dikke Hendrik.
‘Ja, Hendrik, die viel er uit, en toen was het bewezen. Dit was mijn boek! En het slot viel nog steeds open, en het slot van het tweelingboek zat dicht! Muurvast!

‘U had beter op de naam moeten letten!' zeg ik tegen de goudsmid. Nu was het mijn beurt om goed boos te zijn. ‘Als u twee boeken in reparatie hebt die precies hetzelfde zijn, moet u extra goed opletten!'
‘Maar dat hèb ik gedaan!' roept hij, en hij vist zijn vergrootglas uit de lade. ‘Bosma! Het staat hier, op dit kaartje! Met grote letters!'
‘En op het andere kaartje?'vraag ik, ‘wat staat daar op?'
‘Daar staat ook Bosma op!' roept hij, ‘kijkt u maar zelf! Niet alleen de boekjes zijn hetzelfde, maar de naam ook!'
Wij begonnen allebei te lachen, en we waren niet meer boos op elkaar.
‘Ja, mijnheer', zegt hij tegen mij, ‘het enige verschil zit hem in het slot. Het ene wilde af en toe niet meer open, en het andere wilde niet dicht. Ik wist van dat andere boekje niet, mijn vrouw die in de winkel staat, heeft het in reparatie genomen'.
Hij ging vlug aan het werk, ik kon er op wachten, zij zette koffie, hij repareerde het slot, en zo was iedereen tevreden'.

De twaalf catechisanten slaatkten een zucht, zij vonden het een fijn verhaal, maar wel een beetje vreemd.
Marie zei: ‘Dominee, mag ik nu zeggen wat het betekent?'
‘Ja, natuurlijk', zei hij, ‘Marie, ga je gang!'
En daar ging ze van start met haar heldere, kwetsbare stem:

‘Als je een open deur krijgt, heb je vrij toegang. Dat zie je aan de Bijbel van dominee Geurs. Het slot was open, het boek was ook open, iedereen kon er in lezen.
Anders was het met de deur die God dicht deed. Daar kon je niet in, wat je ook deed. Dat zie je aan het tweede boekje dat dominee Geurs per vergis meekreeg. Het zàt dicht, en niemand kon het open krijgen'.
‘Wat begrijp je dat goed', zei Pascal.
‘Ja, dat weet ik, want ik heb dat gemerkt in het ziekenhuis, waar ik lag omdat ik jeugdkanker had. Ik was bang, ik durfde niet bidden, het leek of de deur bij God dicht was, vooral 's nachts als het donker was en ik niemand kon horen op de gang.
Maar toen werd het dag en ik zocht op mijn laptop uw preek uit Johannes, die Sofie heeft uitgeschreven.
‘Bid, en Ik zal je geven, wat je ook wilt'.

Dat zegt God, en het leek of er een deur open ging. Toen kwam u, en we hebben samen het Onze Vader gebeden, u hield mijn hand vast, weet u nog?

‘Uw wil geschiede', hebben wij gebeden,
‘gelijk in de hemel, alzo ook op de aarde'.

Toen heb ik alles in Gods handen gelegd, mijn ziekte ook. En kijk, mijn haar begint alweer aan te groeien, vandaag durf ik voor het eerst mijn hoofddoekje thuis te laten'.
‘Je hebt een lekkere, moderne kop, Marie!' zei Pascal.
‘Mag ik er eventjes aankomen om te voelen?' vroeg dikke Hendrik.

‘Nu gaan we beginnen met de preek', zei hij haastig. Maar Pascal had nog iets. ‘Dominee, ik heb een technische vraag, wéét u het antwoord? Het gaat over die deuren die open zijn, en die niemand dicht kan krijgen. Bestaan die echt?'
‘Ja', zei hij, ‘die bestonden. Het waren poortdeuren in de muur van de stad. Die kon je sluiten met een balk. Als de poortwachter die had opgeborgen, of hij was gebroken bij een oorlog, kon je de deur wel dichtduwen, maar iedereen had hem zo weer open, want de sluitbalk was er niet...'
‘En kan je uw Bijbel met dat gouden slot ook afsluiten?'vroeg Marie, ‘zodat niemand er in kan lezen?'
"En zodat de boom uit het Paradijs er niet uitvalt?'vroeg Hendrik.
‘Ja, kinderen', zei de dominee, ‘want ik heb een sleutel, een kleine, die hangt aan een gouden kettinkje. Als ik die gebruik, krijgt niemand de Bijbel open, en als ik hem open doe, krijgt niemand hem dicht'.
‘Net als God', zei Hendrik en hij knikte drie keer.

Opeens zei Letitia, mijn vriendin: ‘Dat Paradijs, waar jullie het steeds over hebben. Dat is ook gesloten, en niemand kan er in, al wil je nog zo graag!'
‘Ja', zegt Marie, ‘er staat een engel voor met een zwaard!'
‘Maar die mag straks vast wel naar huis', zei Hendrik, ‘als God hem roept, omdat hij moe is van het staan en omdat hij moet eten. Dan mag hij vruchten plukken van die boom... En dan mogen wij misschien ook weer naar binnen!'

*

Dit was het verhaal van het Boekje met het gouden slot.

In de toren zie ik Hendrik, hij mag voelen aan het haar van Marie. ‘Net zo zacht als van een schaapje', zegt hij vertederd. Maar als Pascal ook wil voelen, krijgt hij een tik op zijn vingers. Ze heeft groot gelijk.

Ik SOFIE heb dit geschreven, en het staat op de laptop van Marie en bij jullie ook.

Bron: Harmen Geurs D.D., Kollum, Friesland


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be