Bijbelse verhalen verteld voor kinderen
Thema: Over samenwerking en broederschap
Genesis 1: God schiep de mens uit aarde en Geest
1 In het begin schiep God de hemel en de aarde. 2 De aarde was nog woest en doods, en duisternis lag over de oervloed, maar Gods geest zweefde over het water.
3 God zei: ‘Er moet licht komen,' en er was licht. 4 God zag dat het licht goed was, en hij scheidde het licht van de duisternis; 5 het licht noemde hij dag, de duisternis noemde hij nacht. Het werd avond en het werd morgen. De eerste dag. 6 God zei: ‘Er moet midden in het water een gewelf komen dat de watermassa's van elkaar scheidt.' 7 En zo gebeurde het. God maakte het gewelf en scheidde het water onder het gewelf van het water erboven. 8 Hij noemde het gewelf hemel. Het werd avond en het werd morgen. De tweede dag.
9 God zei: ‘Het water onder de hemel moet naar één plaats stromen, zodat er droog land verschijnt.' En zo gebeurde het. 10 Het droge noemde hij aarde, het samengestroomde water noemde hij zee. En God zag dat het goed was. 11 God zei: ‘Overal op aarde moet jong groen ontkiemen: zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten dragen met zaad erin.' En zo gebeurde het. 12 De aarde bracht jong groen voort: allerlei zaadvormende planten en allerlei bomen die vruchten droegen met zaad erin. En God zag dat het goed was. 13 Het werd avond en het werd morgen. De derde dag.
14 God zei: ‘Er moeten lichten aan het hemelgewelf komen om de dag te scheiden van de nacht. Ze moeten de seizoenen aangeven en de dagen en de jaren, 15 en ze moeten dienen als lampen aan het hemelgewelf, om licht te geven op de aarde.' En zo gebeurde het. 16 God maakte de twee grote lichten, het grootste om over de dag te heersen, het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de sterren. 17 Hij plaatste ze aan het hemelgewelf om licht te geven op de aarde, 18 om te heersen over de dag en de nacht en om het licht te scheiden van de duisternis. En God zag dat het goed was. 19 Het werd avond en het werd morgen. De vierde dag.
20 God zei: ‘Het water moet wemelen van levende wezens, en boven de aarde, langs het hemelgewelf, moeten vogels vliegen.' 21 En hij schiep de grote zeemonsters en alle soorten levende wezens waarvan het water wemelt en krioelt, en ook alles wat vleugels heeft. En God zag dat het goed was. 22 God zegende ze met de woorden: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk en vul het water van de zee. En ook de vogels moeten talrijk worden, overal op aarde.' 23 Het werd avond en het werd morgen. De vijfde dag.
24 God zei: ‘De aarde moet allerlei levende wezens voortbrengen: vee, kruipende dieren en wilde dieren.' En zo gebeurde het. 25 God maakte alle soorten in het wild levende dieren, al het vee en alles wat op de aardbodem rondkruipt. En God zag dat het goed was. 26 God zei: ‘Laten wij mensen maken die ons evenbeeld zijn, die op ons lijken; zij moeten heerschappij voeren over de vissen van de zee en de vogels van de hemel, over het vee, over de hele aarde en over alles wat daarop rondkruipt.' 27 God schiep de mens als zijn evenbeeld, als evenbeeld van God schiep hij hem, mannelijk en vrouwelijk schiep hij de mensen. 28 Hij zegende hen en zei tegen hen: ‘Wees vruchtbaar en word talrijk, bevolk de aarde en breng haar onder je gezag: heers over de vissen van de zee, over de vogels van de hemel en over alle dieren die op de aarde rondkruipen.' 29 Ook zei God: ‘Hierbij geef ik jullie alle zaaddragende planten en alle vruchtbomen op de aarde; dat zal jullie voedsel zijn. 30 Aan de dieren die in het wild leven, aan de vogels van de hemel en aan de levende wezens die op de aarde rondkruipen, geef ik de groene planten tot voedsel.' En zo gebeurde het. 31 God keek naar alles wat hij had gemaakt en zag dat het zeer goed was. Het werd avond en het werd morgen. De zesde dag.
Op de zondag voor Kerst hebben jullie altijd je eigen feest. Dan wordt er veel gezongen, jullie spelen een kerstspel, en de boom staat van boven tot onder in het wit te branden met al zijn lichten. Dan vertelt de dominee een kerstverhaal. Zo deed hij ook een paar jaar geleden, en hij begon als volgt:
Lieve kinderen, ik vertel jullie het verhaal van de kromme kerstkaars. Of eigenlijk vertel ik dat verhaal niet, maar de kaars doet het zelf, dus als ik praat moet je maar denken, dat je de stem hoort van: de kromme kerstkaars!
Ja, kinderen, eigenlijk bèn ik helemaal geen kerstkaars, ik ben maar een gewone fabrieks-kaars, één van twintig in een doosje. Die dozen zie je het hele jaar door liggen in de winkel op een grote stapel, boven aan de roltrap. Ik heb op de kachel gelegen, daarom ben ik zo krom. Ook ben ik gevallen, waardoor ik gescheurd ben, kijk maar, dan kan je het zien. Nee hoor, een echte kerstkaars ben ik niet, en toch sta ik te branden in een krans van kerstgroen bij de bijbel van oude vrouwtje Germaine, terwijl zij zit te lezen.
Ik zie wel dat jullie er niet veel van begrijpen. Het is beter dat ik mijn levensverhaal vertel vanaf het begin. De maand voor kerst lag ik nog met mijn negentien collega's in een doos. Ik lag bovenop, onder het plastic deksel dat doorzichtig was. De winkeljuffrouw had er een prijsje op geplakt. Een heel klein prijsje hoor, want wij zijn maar gewone seriekaarsen. Waskaarsen zijn veel duurder, maar die zijn dan ook met de hand gemaakt.
Op zo'n drukke koopdag eind november komt er een jongetje. Je weet wel, één van die verwende ventjes, die alles willen hebben, en naar niemand luisteren. Hij griste de doos mee waar ik in zat. Zijn moeder zegt nee, maar hij wil hem toch. Zij geeft hem een tik op de vingers, en hij moet de doos terugleggen, maar het plastic was al gescheurd.
Na een poosje komt hij weer, peutert het plastic open, en pakt mij er uit. Hij wilde met mij weglopen, ik kon daar niets aan doen, hij deed wat hij wilde. Maar dàt zag zijn vader. Toen gooide hij mij weg, zomaar op de grond, want dat doen verwende kinderen die hun zin niet krijgen. Daar heb ik die scheur in mijn buik van overgehouden.
Bij mijn val kwam ik terecht temidden van een groep waskaarsen, die in een halve kring stonden. Wat zagen die er prachtig uit! Elk droeg een deftig rieten jasje met een gekleurd lint er omheen, en een etiket eraan van: gegarandeerd echt handwerk. Voornaam en wit keken zij vanuit hun stijve boord op mij neer. Gelukkig kwam er toen een winkelmeisje, die raapte mij op. Maar zonder erbij te denken legde zij mij op de radiator van de kachel. Ze was ook zo druk met haar klanten!
Daar lag ik, kinderen, en o, wat hàd ik het warm! Ik werd helemaal slap en trok krom. Ik begon zachtjes te huilen, want al ben ik een fabriekskaars, ik had ècht verdriet. Ik dacht: nu is het afgelopen met mij, want ze gooien mij weg. Mijn traantjes drupten neer, en stolden wit op de supermarktgrond.
Toen kwam er een klant binnen die een groot kerstmaal wilde houden en die alle waskaarsen kocht zonder naar de prijs te vragen. Al die waskaarsen zouden in zilveren kandelaars staan op de etenstafel. Zij lachten trots en namen stijfjes afscheid van de winkel, terwijl zij werden ingewikkeld in vloeipapier. Ik alleen bleef achter, vergeten en slap over de warenhuisradiator.
Maar wat gebeurt. Er kwam een heel oud vrouwtje in de winkel. Zij heet Germaine en leeft van een uitkering, ze had dus geen geld voor luxe dingen. Toch wilde ze oh, zo graag iets kopen voor Kerst. Ze kocht een kransje van hulst met rode besjes van plastic, toen was haar beursje leeg. Een beetje verdrietig keek ze rond. Opeens zag ze mij. Voorzichtig pakte ze mij van de kachel. "Och, arm gescheurd kaarsje", zei ze, "wat lig je daar te huilen met zoveel witte traantjes op de grond. En wat bèn je slap en krom. Zal ik je recht maken, kaarsje?"
Dàt hoorde het winkelmeisje, zij zat bij de kassa. "Mevrouw", zei ze, "dat kaarsje gooien we weg, als u wilt mag u het wel hebben!"
"O, dank je wel, lief meisje bij de kassa!" zei het vrouwtje, "dit kaarsje kan ik goed gebruiken!" En ze nam mij gauw mee in haar hand, zo blij was ze met mij. Ik begreep er niets van, kinderen, want ik was toch maar een gewone fabriekskaars, en dan nog een kromme bovendien!
Thuis gekomen zette het vrouwtje mij op een schoteltje. Ik huilde weer, maar nu van vreugde. Zij zette mij rechtop in mijn tranen vast, toen legde zij het kransje dat zij had gekocht om mijn kromme lijfje heen. Met zachte hand boog ze mij een beetje recht, toen zette zij mij naast haar Bijbel, die bij het kerstverhaal open lag.
Aan de overkant van de straat stond het huis van de man die de waskaarsen had gekocht. Daar werd nu het feestmaal gehouden, ik zag het: deftige auto's reden af en aan, mensen in prachtige avondkleding gingen naar binnen. De waskaarsen uit de winkel stonden op zilveren voeten, en zij schenen over de rijke etenstafel, de hele avond lang tot diep in de nacht. Hun licht danste vrolijk in de ogen van de etende mensen.
Maar toen de vorst met zijn witte adem kwam over de ochtendvelden waren zij opgebrand, de waskaarsen. Ze gingen uit in hun vet, één voor één. Ik alleen bleef over. De kleinkinderen van oma Germaine kwamen, en ze riepen: "Kijk oma, wat grappig! Dat kaarsje buigt over uw boek, net of hij erin wil lezen!" Ze lachten, en ze staken mij aan, even maar, want Germaine wilde mij sparen. Het grote licht moest uit, en ik mocht schijnen over de woorden van het grote Boek. Het oude vrouwtje las aan de kinderen het verhaal voor van de engelen, en de vrede op aarde. Toen de grote lamp weer aanging riepen de kinderen: "Morgen weer, oma Germaine!"
En de volgende avond staken ze mij weer een poosje aan, en het vrouwtje las van het kindje, en de wierook en het bosje mirre, en zo ging het voort, ik brandde een poosje en zij las voor, avond na avond.
Toen gebeurde er een wonder, kinderen. O, een klein wonder was het maar, zoals past bij een kleine kaars als ik. Ik werd korter, en ik werd rechter, steeds een beetje meer. En op een gegeven moment verdween ook de scheur in mijn buik. Hij smolt gewoon weg in een krans van licht, ik was stomverbaasd.
En ik zag op een koude ochtend -het was oudejaarsdag- dat het werkmeisje aan de overkant de stompen van de waskaarsen weggooide bovenop de etensresten. Maar ik was er nog, en vrouwtje Germaine zei: "Je hebt zo goed dienst gedaan, mijn lief klein kaarsje, jou bewaar ik nog een beetje!"
En zo komt het, kinderen, dat ik hier sta, in het raam. De winter heb ik zien voorbijgaan in de bomen, en het voorjaar komt. Jullie zullen dan niet meer aan mij denken, want lente, zonlicht en kinderen horen bij elkaar. Maar ik wéét dat ik zal blijven, hier voor dit raam, rechtop en vast in mijn gedroogde tranen. En als het weer winter wordt, komen jullie terug, hoop ik, een jaartje ouder, een jaartje wijzer. Dan zal ik er zijn om de rest van mijn licht te laten schijnen over de grote Verhalen van vrede en hoop, die Germaine voor jullie zal lezen....
Toen speelde juffrouw Blaton op het orgel van: Ere zij God, en gingen jullie langs de witte kerstboom blij naar buiten.
Bron: Harmen Geurs D.D., Kollum, Friesland
Franstalige versie: protestanet.be