Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 28 van het kerkelijk jaar
Exodus 14,30-15,21 • Ezechiël 37,1-14 •
Het gebeurt zelden dat de westerse, Latijnse Kerk, de grote christelijke feesten viert tegelijk met de oosterse, Griekse Kerk. De katholieke en de orthodoxe wereld houden er, helaas, verschillende kerkelijke kalenders op na, die zelden samenvallen. Zo gebeurt het van tijd tot tijd dat de orthodoxen het Pinksterfeest één week na ons vieren. Oecumenisch gesproken kunnen wij zo nog met de Heilige Geest bezig zijn, na ons feest... Wij willen thans de vraag stellen naar de betekenis van de Geest van God in de oude rabbijnse litteratuur. Deze litteratuur, die dateert uit de eerste eeuwen van onze jaartelling, is belangrijk voor het verstaan van het Nieuwe Testament. In de tijd van Jezus en de apostelen las en begreep men immers de Hebreeuwse Schrift in de geest van de leraren uit die tijd, en niet op de manier waarop wij dit nu doen, zoveel honderden jaren later en in een heel andere cultuur. Kennis van het denken van de oude rabbijnen over de Heilige Geest, kan ons daarom helpen bij het echt verstaan van de betekenis van Pinksteren.
Letterlijk vertaald noemen de rabbijnen de Heilige Geest, de Geest der Heiligheid (Hebreeuws Ruach ha-Qodesj). De uitdrukking komt slechts driemaal in het zogenaamde Oude Testament voor; doorgaans heeft men het daar over de Geest van God, wat precies hetzelfde betekent. De joodse Griekse vertaling spreekt gewoonlijk over de Heilige Geest, juist zoals wij. Belangrijk is het te letten op de joodse Aramese vertalingen, de Targumim, die de uitdrukking weergeven met de Geest der profetie. Deze vertaling laat goed aanvoelen hoe men in de joodse traditie de Geest Gods ziet, hij is vooral de Geest die de mensen tot profeteren aanzet en tot profeten maakt. Hij is de Geest die de wil van God bekendmaakt aan de schepselen, en die het soms ook over de toekomst heeft, of zelfs over het einde der tijden. Rabbi Eleazar (ongeveer 270 n.Chr.) zegt ergens (1) dat men de joodse samenleving, als volgt, in opgaande lijn kan indelen. Kinderen kunnen worden tot volwassenen, volwassenen kunnen worden tot (rabbijnse) geleerden, (rabbijnse) geleerden kunnen worden tot profeten - op hen rust de Heilige Geest... De hoogst staande klasse is dus die der profeten, op haar rust de Geest Gods. Voor de rabbijnse litteratuur zijn de profeten de voornaamste dragers van de Heilige Geest, dit is ons thans duidelijk.
Om een zo duidelijk mogelijk overzicht te geven van wat de oude rabbijnen denken over de Ruach ha-Qodesj, kunnen wij het beste nagaan hoe zij de Heilige Geest zien in het verloop van de geschiedenis van Israël en van de mensheid. De Geest Gods is namelijk niet in iedere tijd op dezelfde wijze aanwezig. Grof generaliserend gesproken, zou men kunnen zeggen dat oorspronkelijk de Geest overal present was, maar dat hij zich progressief teruggetrokken heeft, eerst van de heidenen, later van Israël, en nog later van Israëls profeten. Pas aan het einde der tijden zal de Geest Gods terugkeren. Dit is alvast de grote lijn, maar men mag hierbij vooral niet vergeten dat in het jodendom dergelijke beschouwingen nooit een normatieve leer vormen, zoals in het christendom. Dit betekent dat men steeds rabbijnen vindt die deze grote lijn contesteren, en stellen dat er geen afwezigheid van de Geest is. In het joodse denken heerst steeds een gezonde verscheidenheid en tegenspraak, die volledig erkend en aanvaard wordt. In hetgeen volgt proberen wij een aantal voorbeelden te geven, ook van de andersdenkenden, om het allemaal concreet te maken, en tegelijk het voorlopig grove beeld te nuanceren.
De Geest der profetie werkte oorspronkelijk ook onder de niet-joodse volkeren. Een anonieme jonge midrasj vertelt dat Adam, Noach, Jafet, Sem, Eber, de profeten waren die in de wereld zijn opgestaan vóór Abraham. Bileam en zijn vader, Job en zijn drie vrienden, en verder Elihu en Barakel waren de profeten die onder de volkeren gewerkt hebben vóór de Thora aan Israël gegeven werd. Daarna trok de Heilige Geest zich echter terug van de volkeren. Dit betekent concreet dat sinds de Sinai er geen Geest en geen profeten meer zijn onder de heidenen. Wellicht omdat deze toen de Thora geweigerd hebben. Een andere anonieme midrasj vertelt het wat anders en zegt dat de grootste profeet van Israël Mozes was, en de grootste profeet der paganisten Bileam. Beiden spraken zo dikwijls zij het wilden met God. Wat was echter het verschil tussen de twee? De profeet van Israël waarschuwt de mensen voor overtredingen, en spreekt zich uit voor erbarmen jegens hen. De profeet der volken bevordert de bandeloosheid om de mensen uit de toekomende wereld weg te houden, en spreekt zich uit voor wreedheid jegens hen. Bileam stond op om een gans volk, namelijk Israël, zonder reden uit te roeien. Wegens hem heeft God de Heilige Geest van de niet-joodse volkeren weggenomen.
Wat het volk Israël betreft, kan gezegd worden dat aanvankelijk het hele volk de Geest der Heiligheid bezat. Natuurlijk gold dit in het bijzonder voor de aartsvaders en aartsmoeders, alsook voor alle vromen en rechtvaardigen. Rabbi Nechemja (ongeveer 150 n.Chr.) zegt: Als loon voor het feit dat onze vaderen in God geloofden, hebben zij verkregen dat de Heilige Geest op hen rustte, en dat zij een lied zongen. Ook Mozes, David en Debora zongen een lied, toen de Heilige Geest op hen rustte. Als bewijstekst voor zijn stelling verwijst de rabbijn naar onze eerste lezing, die handelt over hetgeen volgt op de doortocht van Israël door de Rode zee. Eerst staat er inderdaad dat het volk in JHWH gelooft (14,31) en daarna dat het hem een lied zingt (15,1). Dit lied van Israël, evenals de liederen van de anderen die genoemd worden, zijn een teken en een bewijs van het bezield zijn door de Geest Gods. Het lied heeft hier eigenlijk iets te maken met de Geest der profetie en der profetische vervoering. In de context wordt Mirjam dan ook uitdrukkelijk profetes genoemd, en haar lied draagt een extatisch karakter (15,20). In een jongere midrasj zegt rabbi Pinchas ben Chama (ongeveer 360 n.Chr.) het volgende, naar aanleiding van het verhaal van het gouden kalf, dat in de hele context een belangrijke rol speelt (zie vooral Exodus 32,4). God sprak tot de Israëlieten: Vroeger mocht ge u verheugen in de leiding door de Heilige Geest, nu (na het gouden kalf) moet ge tevreden zijn met de leiding door een engel. Dit betekent dat, althans volgens deze rabbijn, de Geest Gods het volk als geheel verlaten heeft, sinds het gebeuren met het gouden kalf.
Sinds dat cruciale moment uit de geschiedenis van Israël rust de Heilige Geest vooral op de profeten, die het volk de wil van God bekend moeten maken, maar ook op belangrijke koningen als David, Salomo, Hizkia, of op de hogepriester die door de urim en tummim God raadpleegt. In latere tijden trekt de Geest zich echter ook terug van deze mensen. Opnieuw kan men de vraag stellen, sinds wanneer, en naar aanleiding van welke gebeurtenis? Twee verschillende antwoorden worden gegeven. Het eerste luidt dat de Ruach ha-Qodesj volledig verdween met de verwoesting van de eerste tempel van Jeruzalem. Rabbi Acha (ongeveer 320 n.Chr.) zegt immers dat de tweede tempel vijf dingen niet meer had, namelijk: het (hemelse) altaarvuur, de ark van het verbond, de urim en tummim, de zalfolie en de Heilige Geest. Het tweede antwoord, dat ouder is en meer bekend - maar jammer genoeg anoniem - luidt dat toen de profeten Haggai, Zacharia en Maleachi gestorven waren, de Heilige Geest uit Israël verdween. Dit betekent dat toen de laatste kleine profeten uit de Schrift overleden waren, er geen profetische Geest meer was. Was die er nog wel geweest, dan had men daarna nog andere profeten gekend. De twee antwoorden spreken elkaar niet volledig tegen, in die zin dat de laatste profeten vooral te maken hebben met de bouw van de tweede tempel, waarin dan geen Heilige Geest meer woont.
Is de situatie van het volk Israël sindsdien, en ook nu, totaal hopeloos? Zeker niet. De rabbijnen spreken over verschillende dingen die enigszins deze afwezigheid van de Heilige Geest moeten corrigeren. De zoëven aangehaalde tekst over de laatste profeten, vervolgt en zegt dat God sindsdien de hemelse stem (Hebreeuws bat qol) laat horen, om zijn wil bekend te maken. Wij kennen deze hemelse stem uit het Nieuwe Testament, maar men vindt deze ook in de rabbijnse litteratuur. Andere rabbijnen wijzen erop dat de klasse der profeten wel verdwenen is, maar niet die der geleerden of wijzen, de categorie die juist onder hen staat, en soms ook drager is van de Geest Gods. Zo vertelt men over rabban Gamliël van Javnè (ongeveer 90 n.Chr.) dat hij tijdens een reis een heiden die hij niet kent, aanspreekt met zijn naam, namelijk Mavgai. Dit profetisch inzicht bewijst dat de Heilige Geest op rabban Gamliël rustte. Elders kan men lezen dat Sjmuël de Kleine (ongeveer 100 n.Chr.) op zijn sterfbed de vervolgingen van keizer Hadrianus voorspelt, evenals de terechtstelling van de rabbijnen Sjimon en Jisjmaël. Ook dit bewijst dat hij de Geest Gods bezat. Vergelijkbare verhalen worden verteld over de rabbi’s Aqiva, Meïr, Sjimon ben Jochai. De meerderheid der rabbijnen zijn echter geen dragers van de Geest, wegens de zondige tijden.
Andere oude teksten onderkennen de Ruach ha-Qodesj in het heden bij gewone mensen, zelfs heidenen! De beroemde ladder der chassidim (1) stelt dat men via de chassidische vroomheid de Heilige Geest kan bereiken, alhoewel dezelfde Geest vooral een eschatologische gave blijft. Elders, in een halachische discussie, zegt de grote Hillel de Oude (ongeveer 20 v.Chr.) over het volk Israël van zijn dagen: ...de Heilige Geest is op hen; indien zij geen profeten zijn, zijn zij wel kinderen der profeten. En men vervolgt dat Hillel op die dag tot nasi, of president, werd gemaakt. Een even schitterende tekst zegt dan weer dat de Heilige Geest op eenieder rust, naar de aard van de werken die men doet, heiden of jood, man of vrouw, dienstknecht of dienstmaagd. Dit heeft duidelijk betrekking op alle mensen zonder onderscheid. Enkel hun daden tellen... Men krijgt hier te maken met een aantal stellingnames die de presentie van de Heilige Geest in het heden willen beklemtonen. De mensen zijn dus niet aan hun lot overgelaten. Dit is een houding die contrasteert met hetgeen wij vroeger bespraken. Toen probeerden de wijzen de gevolgen in te schatten van de grote positieve en negatieve momenten uit de geschiedenis van Israël, met betrekking tot de Geest. Het gaat eigenlijk om twee verschillende denkwijzen, die elkaar tegenspreken, een diachronische en een synchronische. Toch staan beide broederlijk naast elkaar in de joodse overlevering. Het spreekt hierbij wel vanzelf dat de diachronische benadering, die rekening houdt met de hele bijbelse geschiedenis, meer reliëf heeft dan de andere.
De diachronische zienswijze leidt uiteindelijk naar de toekomstige heilstijd en het Koninkrijk van God. In die tijd zal de Heilige Geest terugkeren, en zal het zijn zoals in het begin, of zelfs veel beter dan dat. De terugkeer van de Geest der Heiligheid en de gevolgen die dit heeft, worden door de rabbijnen afgeleid uit bijbelgedeelten die doorgaans ook een belangrijke rol spelen in het Nieuwe Testament. Zo zegt rabbi Levi (ongeveer 300 n.Chr.), heel universeel, dat God in de toekomst zes dingen zal vernieuwen: de hemel, de aarde, het hart, de geest, de naam van de Messias en de naam van Jeruzalem. Het nieuwe hart en de nieuwe geest wordt gestaafd met Ezechiël 36,26v waar ook staat dat God zijn Geest zal geven. Meer op Israël betrokken zegt een anonieme midrasj, dat in deze wereld slechts enkelingen geprofeteerd hebben, maar in de toekomende wereld zullen alle Israëlieten profeten zijn, volgens Joël 3,1. God zal zijn Geest geven op alle vlees. Volgens de hoger genoemde ladder der chassidim, die teruggaat op rabbi Pinchas ben Jair (ongeveer 200 n.Chr.), heeft de uiteindelijke gave van de Heilige Geest tot gevolg dat de doden opstaan. De rabbijn verwijst hiervoor naar het beroemde Ezechiël 37, dat wij als tweede lezing lazen. Een anonieme midrasj stelt het nog een ietsje anders. God zegt er tot Israël: In deze wereld heeft mijn Geest u wijsheid gegeven, maar in de toekomst zal mijn Geest u weer levend maken. En weer wordt er verwezen naar de opstanding der doden door Gods Geest, uit Ezechiël 37,14. De Heilige Geest die thans wijsheid geeft, slaat uiteraard op de wijsheid en geleerdheid der rabbijnen, zoals wij hoger zagen.
Bron: Ds. G. Willems
(1) Alle teksten die wij verder zonder referenties citeren, kunnen gevonden worden in het werk van Paul Billerbeck dat hij uitgegeven heeft samen met Hermann Strack, Kommentar zum Neuen Testament aus Talmud und Midrasch, München 1922-1961, deel 2 p.126-138 en 819v en in de index onder Geist. Alles over de ladder der chassidim kan men lezen in, Gerard F. Willems, Jezus en de Chassidim van zijn dagen, een godsdiensthistorische ontdekking, Baarn 1996, p.75-79.
Franstalige versie: protestanet.be