Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

31 - De eenzaamheid van de mens.

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 31 van het kerkelijk jaar
Genesis 2,4b-24 • 1Korintiërs 7,1-9 •

Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. WillemsMen zegt wel eens dat de Hebreeuwse bijbel begint met twee scheppingsverhalen. Daar is inderdaad veel voor te zeggen. De planten, de dieren en de mensen zijn er al, en in onze lezing worden zij nog een keer gemaakt. Dit is duidelijk een tweede schepping. Toch moet men vooral op de verschillen letten tussen Genesis 1 en 2. Het eerste verhaal beschrijft het creatie van alle dingen in het liturgisch kader van een joodse week. God zweet zes dagen en viert daarna de sabbat. In ons verhaal is alles vooral toegespitst op de mens, die gezien wordt als een boer, een echte bewerker van de aarde, de grond. God is eigenlijk degene die dat boerenleven mogelijk zal maken, en die zelf ook met die teelaarde bezig is. Men zou bijna kunnen zeggen dat God hier getekend wordt als de oerboer. Aan deze beelden van de bijbelschrijvers dient men geen aanstoot te nemen, men moet proberen ze te verstaan, dan zal men ontdekken hoe diepzinnig en actueel ze wel zijn.

God heeft de mens - als men het Hebreeuwse woord niet vertaalt, dan moet men zeggen adam (met kleine letter) - pas uit rode teelaarde geboetseerd, en hij heeft het al gezien: Het is niet goed dat de mens alleen zij. God is hier niet alleen de boetseerder die de mens schept en in de wereld plaatst, hij is vooral de bezorgde vader of moeder, als men dit zo mag zeggen, die er aan houdt dat zijn maaksel ook een leefbaar leven krijgt. God is, het hele verhaal door, degene die meeleeft met de mens, reageert op zijn reacties, en steeds bereid is te helpen. Het gaat dus niet om een almachtige afstandelijke God, maar om een nabije God die meeleeft met zijn maaksel en erop inspeelt. Die God heeft het direct gezien: Het is niet goed dat mijn boetseersel alleen blijft... De eenzaamheid van de mens, het alleen zijn, is een der grootste problemen van onze tijd. In de moderne samenleving legt men een grote nadruk op de rechten van de mens, de rechten van de vrouw, de rechten van het kind, en dat is allemaal heel goed en zeer terecht. Dit geldt ook voor het recht op arbeid, het recht op sociale uitkeringen, enzovoort. Maar men heeft het daarbij steeds over de mens als individu, als enkeling, en men dreigt de banden van de mensen onderling te vergeten en te verwaarlozen. In de grootstad, maar ook elders, gebeurt het meer en meer dat men mensen dood in hun woning vindt. Eenzaam zijn zij daar gestorven, en niemand heeft er iets van gemerkt. Gemeenschapsvormen als de familie, of het dorp, of de wijk, blijken niet meer goed te werken.
Als goede boer laat God het niet bij zijn diagnose, maar slaat de hand aan de ploeg. Hij gaat er iets aan doen: Ik zal hem een hulp maken die bij hem past. De Hebreeuwse uitdrukking die men vertaalt met die bij hem past, heeft een zeer rijke inhoud. De Franstalige oecumenische vertaling leest als een persoon tegenover hem, of vrijer weergegeven die op hem afgestemd is (men zou zeggen als de eerste en tweede viool, die op elkaar inspelen). Th.C. Vriezen vertaalt als zijn tegenbeeld. Zeer breed omschrijvend zou men kunnen zeggen, als zijn evenbeeld, dat tegenover hem staat, en waarin de mens zichzelf herkent. Men kan het moeilijk mooier zeggen, alleen een waar evenbeeld dat tegenover hem staat, kan de mens uit zijn doodse eenzaamheid halen. En God, de boetseerder die van zijn creatie houdt en erin gelooft, heeft dit ten volle gesnapt. Verder mag men het woordje hulp in dit verband niet misbruiken. De vrouw wordt niet de dienares van de man. Men zou wel kunnen zeggen, hulp bij de gezamenlijke boerenarbeid. Of nog beter, hulp die de eenzaamheid opheft. Voortaan heeft de mens tegenover het ik een gij. Iets wat uiteraard omgekeerd ook geldt voor de vrouw.

Met de beste bedoelingen gaat God weer met rode teelaarde spelen. Hij boetseert een hele dierentuin. Dit is een zeer interessant gegeven, want het betekent dat mens en dier precies op dezelfde manier gevormd zijn. Beide worden ze door God uit rode aarde geboetseerd. Mens en dier zijn collega’s, zij horen solidair te zijn. Het dier is dus niet uitgeleverd aan de willekeur en de tirannie van de mens. Het dier heeft zijn eigen goddelijke waardigheid. Zo wordt het door de joodse wetten in de Schrift in bescherming genomen. Het werkdier krijgt zijn sabbatsrust, juist zoals de mens. Het krijgt een deel van het graan dat het gedorst heeft. Bij de offers wordt het dierenleven de vervanger, het substituut, van het mensenleven. De dieren worden echt door God beschermd en maken deel uit van het verbond met Noach. Zij krijgen dan ook deel aan het Messiaanse heil, zie de wolf en het schaap in Jesaja 11,6-9 of de hele schepping die zucht in Romeinen 8.
Toch betekent dit ook weer niet dat mens en dier in de Schrift evenwaardig, of zelfs verwisselbaar en vermengbaar zouden zijn. In oude Babylonische rituele treden mensen op met dierenmaskers. Er vindt een zekere vermenging van beiden plaats. In het oude Egypte hebben veel goden de gestalte van dieren, en andere die van mensen. Ook daar zijn ze kennelijk onderling verwisselbaar. In onze lezing is het dier, ondanks zijn waardigheid, aan de mens ondergeschikt. God brengt zijn dierentuin naar de mens en deze moet de beesten namen geven. Het dier definieert zichzelf niet, ook God doet het niet, de mens moet het doen. Alles geschiedt in de menselijke taal. De mens bedrijft zo wetenschap met de beesten en heerst over hen. Maar bovenal is het resultaat van deze naamgeving, dat geen enkel dier een naam krijgt dat het maakt tot evenbeeld tegenover de mens. De mens blijft dus ondanks alles alleen.
Als conclusie kan men zeggen dat de mens wel degelijk in het dier een collega vindt, maar geen evenbeeld. Onze tijd is ongetwijfeld de gouden tijd van de huisdieren. Nooit zijn er zoveel honden, katten, papegaaien, cavia’s, vissen en wat weet ik allemaal, geweest. Nooit zoveel pakken en blikken met nog beter voedsel voor huisdieren, nooit zoveel dierenartsen. De eenzame mens van deze eeuw, ziet in het dier een collega. Bejaarden, alleenstaanden, maar ook kinderen, zieken en gehandicapten, vinden bij een huisdier gezelschap, steun, begrip, troost, levensvreugde. Dit is ongetwijfeld allemaal goed, en het beest helpt veel menselijk leed te verzachten. Maar het dier kan de medemens niet vervangen. Als het een surrogaat wordt voor het evenbeeld, dan gaat het te ver. Men kan geen beesten liefhebben, omdat men mensen haat. Het huisdier en de medemens horen geen concurrenten voor elkaar te zijn. Ieder van hen heeft zijn eigen plaats en betekenis.

Zij staat heel apart en is heel uitzonderlijk in het verhaal. Alles wordt uit rode aarde geboetseerd, behalve de vrouw. Zij wordt gemaakt uit een rib van de (mannelijke) mens. Wanneer men aan de oude rabbijnen vraagt: Waarom uit een rib? Dan antwoorden zij: Niet uit het hoofd, want dan zou de vrouw hoogmoedig geworden zijn en zich superieur aan de man gevoeld hebben. Niet uit de voet, want dan zou de vrouw ondergeschikt aan de man geworden zijn en zich onderdanig gedragen hebben. Wel uit de rib, zodat de vrouw zij aan zij, naast en tegenover de man staat, als een echt evenbeeld. Hoe reageert nu in ons verhaal de mens op deze unieke creatie van God?
Eerst roept hij uit: Deze keer is het been van mijn beenderen en vlees van mijn vlees! Na de teleurstellende reeks dieren komt iets dat echt anders is. Het is een wezen waarin de mens zichzelf herkent. In het verhaal kan men de staande uitdrukking echt letterlijk nemen. Echt been en vlees van de man. De uitdrukking mijn been en mijn vlees wordt elders in de Hebreeuwse bijbel gebruikt om verwantschap uit te drukken. Hier - en meer algemeen bij een huwelijk - gaat het niet om biologische bloedverwantschap, maar eigenlijk om een juridische formule. De (mannelijke) mens aanvaardt en erkent zijn vrouw als zijn eigen been en vlees. De nieuwe juridische band wordt even sterk, of zelfs sterker, dan bloedverwantschap.
Zoals aan de dieren, geeft de mens daarna een naam aan het unieke wezen. Zij zal heten mannin, zoals men doorgaans leest in Nederlandse vertalingen. In het Hebreeuws gaat het om een woordspeling van isj = man en isja = vrouw, die men in het Nederlands poogt weer te geven met man en mannin. Datgene waar het op aankomt in de woorden is dat man en vrouw dezelfde stam hebben, dezelfde wortel. Dit moet betekenen dat beide eigenlijk gelijk zijn, en enkel verschillen door een uitgang, een geslacht. Man en vrouw zijn in wezen gelijk. De mens heeft nu eindelijk het evenbeeld en tegenbeeld, dat God voor hem wilde boetseren, herkend en gevonden. Voortaan staat naast en tegenover het ik een gij. De eenzaamheid van de mens is voorgoed opgeheven. Blijdschap en vreugde kenmerken dan ook de hele scène.
Vers 24 fungeert tenslotte als afsluiting van het geheel. Het gaat niet meer over adam en eva, maar om een vuistregel die betrekking heeft op het huwelijk. Een man zal zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen. Dit betekent dat de huwelijksband sterker is, en sterker hoort te zijn, dan biologische afstamming. Men dient zijn ouders te verlaten om een nieuw iets op te bouwen met zijn echtgenote. Ook deze zin is ongelofelijk actueel. Moderne huwelijken stranden nogal eens door de ouders van de partners. Zij kunnen hun kinderen niet loslaten, om hen zelfstandig, een volwassen leven te laten leiden. Het zinnetje uit de Schrift klinkt als een echte wet. Het huwelijk is de sterkste band die er onder mensen bestaat. Het is een relatie, een verbond, waarvoor men kiest, en dat men zelf smeedt... Anderzijds zou men de vraag kunnen stellen of het ook niet de bedoeling van Genesis 2 is om te zeggen, dat God de mensen niet als enkeling, maar eigenlijk paarsgewijs schept. God maakt geen menselijke individuen, maar koppels. Wat dan weer zou betekenen dat iedere man ergens in de wereld zijn vrouw heeft, en omgekeerd iedere vrouw ergens in de wereld haar man. Of is dit een te verregaande gedachte?
Onze lezing uit Genesis is hoe dan ook een waar loflied op het huwelijk. Het verhaal is buitengewoon diepzinnig. Wanneer een mens zijn evenbeeld en tegenbeeld ontmoet, is de eenzaamheid voorgoed voorbij, en begint een geheel nieuwe werkelijkheid. De spreukendichter zegt het heel mooi: Wie een vrouw vindt, vindt het geluk en ontvangt een gunst van de Heer (Spreuken 18,22).

En dan is er de vrouw!

Bron: Ds. G. Willems


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be