Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 4 van het kerkelijk jaar (advent)
Genesis 21,1-7 • Lucas 1,5-20 • Openbaring 22,13-21 •
De adventstijd die aan het Kerstfeest voorafgaat, heeft eigenlijk een tweevoudige betekenis. Het woordje advent betekent komst, aankomst en het kan op twee manieren op Jezus worden toegepast. De meest voor de hand liggende zin is natuurlijk dat die komst slaat op het komen in Betlehem. Maar men moet dat dan wel een beetje breder zien als Jezus’ komen als mens tussen de mensen. Ieder jaar opnieuw moet men zich daarop voorbereiden, moet men proberen het opnieuw en beter te verstaan. Het komen van Jezus als gewone mens is immers niet zo eenvoudig te begrijpen. Wat was de zin van dat komen, van dat hele leven? Jezus’ mensenleven is vooral een dubbelzinnig leven. Sommige van zijn tijdgenoten zagen er iets in, en anderen weer niet. En dat is vandaag nog zo. Er is geen enkele dwingende reden waarom alle mensen zonder onderscheid iets bijzonders in Jezus zouden zien. Zijn leven blijft dubbelzinnig. Dit is typisch voor zijn eerste komen.
Men spreekt echter ook over een tweede komen, over Jezus’ komst in heerlijkheid, of kortweg zijn wederkomst. Het grote verschil met het eerste komen is dat juist alle tweeslachtigheid dan zal wegvallen. De glans en de glorie die Jezus zal kenmerken bij zijn verschijnen aan het einde der tijden zal voor iedereen duidelijk maken dat hij anders is dan alle andere mensen onder de mensen. Zijn bijzondere opdracht en functie zal dan pas echt duidelijk worden. Discussies over zijn buitengewone taak zullen geen zin meer hebben, iedereen zal het gewoon kunnen zien aan de heerlijkheid en luister van dit vernieuwde komen. De gelezen bijbelgedeelten zullen ons helpen dit alles te verduidelijken.
Het gekomen zijn van Jezus als mens onder de mensen en het tweeslachtig karakter daarvan, kan men aflezen uit allerlei parallellen in de Heilige Schriften, eerst en vooral in de Hebreeuwse bijbel. Het Nieuwe Testament dient altijd gelezen en verstaan te worden in samenhang met de joodse bijbel waaruit het ontstaan is. In het boek Genesis verschijnt dan Abraham, hij is 100 jaar oud en krijgt een kind bij Sara, zijn oude echtgenote die ook nog steriel is. De hele dubbelzinnigheid van het verhaal komt uit in de naam van het kind, Isaak, wat betekent hij zal lachen. Wie zal lachen en hoe zal men lachen? Men kan eerst en vooral die geboorte spottend weglachen. Een 100-jarige en een steriele, wie trapt daar in? Daar zal wel iets anders achter zitten! En men fluistert achter de hand, zoals het verteld wordt in joodse verhalen (1), Abraham en Sara hebben gewoon een kind gevonden langs de weg, ze hebben het meegenomen en geadopteerd en nu doen ze alsof die vondeling hun echte zoon is... en men lacht spottend verder.
Men kan echter ook lachen van echte, diepe, dankbare vreugde bij die geboorte. Een kind krijgen is een blijde gebeurtenis, zeker in deze omstandigheden. Maar er is méér. Die geboorte is vooral de verwerkelijking van Gods beloften aan Abraham en Sara. Altijd weer worden die beloften in de bijbelverhalen herhaald, en nu is het eindelijk zover. Het gaat hier om een ware daad Gods. Als de God van Israël in de steriele en dode wereld verschijnt, dan geeft hij hoop en leven. Alles gaat dan veranderen. Isaak als echte zoon van Abraham en Sara, zal maken dat het volk Israël zal ontstaan en ontwikkelen. Isaak is eigenlijk een zoon van God, en zo zal de Schrift niet aarzelen het volk Israël steeds weer de eerstgeboren zoon Gods te noemen. En dit gebeuren van God en zijn volk moet verder gaan, de toekomst tegemoet. Eens zal die God effectief over de wereld regeren met gerechtigheid en recht. In de reeds genoemde joodse verhalen en legenden drukt men dit alles niet op een redenerende -, maar op een verbloemde religieus-poëtische wijze uit. Isaak zou op de eerste dag van het Pesachfeest geboren zijn, het Messiaanse feest bij uitstek. Op die ene dag waren er ook buitengewone tekenen: de steriele vrouwen baarden, de blinden zagen, de lammen liepen, de stommen konden spreken en de geesteszieken waren zoals de andere mensen. Ja, de zon scheen op die ene dag zoals ze later nooit meer heeft geschenen; pas in de Messiaanse tijd, in het Rijk van God, zal ze nog zo te bewonderen zijn!
Vlak aan het begin van het Lucasevangelie lezen wij het verhaal van Zacharias, de priester uit de tempel van Jeruzalem. Hij en zijn vrouw Elisabet, die beide uit priesterlijke families stammen, zijn ook oud en de vrouw is weer onvruchtbaar. De motieven uit Genesis keren weer. Wanneer hen een zoon, Johannes de Doper, beloofd wordt, dan komt weer de spotlach boven. Er is zelfs wantrouwen en ongeloof bij Zacharias, en een vergelijkbaar iets vindt men bij Elisabet die zich verstopt (zie de verzen 18 en 24).
Maar wanneer Johannes de Doper eenmaal geboren is, dan komt de vreugde en het echte lachen los. Zacharias’ stomheid barst open in een loflied, het Benedictus (de verzen 68-79). De geboorte wordt herkend als een teken en een daad Gods. Het kon ook eigenlijk niet anders, want het begon allemaal in de woning van God, de tempel te Jeruzalem. Zacharias moest het wierookaltaar bedienen vlak voor het grote gordijn dat de troon van God in het heilige der heilige aan het menselijk oog onttrok. Gezeten op zijn aardse troon, schonk God weer hoop en leven uit de dood. Maar nu stond dit leven aan het begin van het laatste bedrijf van de geschiedenis der mensen. Met Johannes de Doper en Jezus begint iets nieuws. De mensen van de gemeenschap van Qumran aan de Dode zee, verwachtten omstreeks het begin van onze tijdrekening twee Messiassen. De ene zou van priesterlijke afstamming zijn en de andere van koninklijke, concreet een afstammeling van David. Een van beide zou de mindere en eigenlijk de voorloper van de andere zijn. Met enig verschil krijgt men eigenlijk in de evangeliën hetzelfde. Eerst komt de priesterlijke Johannes de Doper als wegbereider, en dan volgt de koninklijke Jezus. Zij passen zo beiden in de Messiaanse tijd.
Eenzelfde dubbelzinnigheid betreffende het lachen vindt men ook in het kerstevangelie. Alleen is de vorm van het verhaal een beetje anders. Het gaat hier niet om oude steriele vrouwen, maar om een jonge maagd. In wezen gaat het echter om hetzelfde, geen van beide zijn vruchtbaar, zij kunnen geen kind ter wereld brengen en hun schoot is zo eigenlijk dood. Het verhaal van de maagd die baart is hierbij wel gevaarlijk, omdat in allerlei hellenistische mythen hetzelfde verteld wordt over goden en helden. Het zou dan kunnen lijken alsof de evangeliën aansluiten bij de mythen der volkeren en niet bij de joodse Schrift. Goed, het kerstverhaal ligt in de lijn van het gebeuren met Isaak en met Johannes de Doper. Ook het tweeslachtige lachen vindt men inderdaad terug. De mensen lachen de zwangere Maria uit en brandmerken haar als hoer. Dit heeft niets met God te maken! Men hoort dit in het eerste hoofdstuk van Matteüs, maar vooral in het kleine boekje Het ware woord van Celsus. Deze echt geleerde Romein schreef het zeer scherpe boekje in het jaar 178, maar de overleveringen die hij weergeeft zijn veel ouder. Celsus vertelt dat Maria een slippertje maakte en dat de echte vader van Jezus de soldaat Panter was.
Daartegenover staat dan weer het lachen en zingen van het vertrouwen en het geloof. De diepe overtuiging dat achter al deze dingen het bezig zijn van God schuilt. Maria zingt het uit in het Magnificat (zie Lucas 1,46-55) en later zingen de engelen het over de velden in het Gloria (2,14). Alles wordt beleefd als het laatste ingrijpen van God. Nu, in deze geboorte, komt de Messias en met hem de Regering van God.
Dubbelzinnigheid kenmerkt al deze geboorten. Wij kijken echter uit naar het ondubbelzinnige, naar Jezus’ komst in heerlijkheid. Deze wederkomst of deze nieuwe advent zal de inleiding vormen voor de nieuwe wereld, wij hoorden er reeds iets over, zonder honger of ziekte of dood of oorlog. Het ware vrederijk van God. Of nog anders, het Rijk van het ware lachen en de ware vreugde.
De Apokalyps van Johannes spreekt in een onuitputtelijke rijkdom van over elkaar tuimelende beelden, altijd weer over dat Koninkrijk van God. Centraal staat daarin - men leest het aan het einde van de Openbaring - de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem. Johannes vindt geen woorden en beelden genoeg om haar te beschrijven. Men duizelt van al het goud, de parels, en allerlei soorten edelstenen. Daarbij horen ook het geboomte des levens en het water des levens. God zelf zal in die stad wonen, temidden der zijnen, niet meer in een verhullende tempel en achter dikke gordijnen, maar open en bloot. Alle dubbelzinnigheid is voor goed voorbij! Gods uiteindelijke bedoelingen met Israël, met de volkeren, met de wereld, met de kosmos, zullen duidelijk zijn. De vreugde, de echte vreugde, zal daar heersen. Het is niet voor niets dat de Apokalyps eigenlijk één lied is, één stuk betoverende poëzie op muziek. Eindelijk regeert God zelf vanuit zijn heilige stad, Jeruzalem.
Men vindt in het Nieuwe Testament een vreemde uitdrukking die ook deze tweevoudige betekenis van het woord advent duidelijk maakt. Wij bedoelen de Aramese uitdrukking Maranatha (zie 1Korintiërs 16,22) die de eerste christenen in hun liturgie gebruikten. Deze vreemde uitspraak heeft twee verschillende betekenissen naar gelang de manier waarop men de letters splitst. Als men leest Maran atha, dan betekent dit onze Heer is gekomen, of duidelijker Jezus is als onze Heer gekomen. Dit staat gelijk met een geloofsbelijdenis betreffende Jezus’ aardse leven. Hij is onze Heer. Splitst men echter anders en leest men Marana tha, dan betekent dit onze Heer, kom! Dit is dan een dringende bede gericht tot Christus, waarbij men vraagt om zijn wederkomst in heerlijkheid. Beide betekenissen van de uitdrukking zijn legitiem en hebben een goede zin, maar waarschijnlijk primeerde toch de tweede betekenis. Het voorlaatste vers van de Openbaring van Johannes vertaalt blijkbaar Maranatha met de woorden, kom Heer! Zo moet het ook zijn voor ons in de adventstijd, aan de ene kant ons voorbereiden op Jezus’ komst als mens, maar vooral aan de andere kant ook bidden om zijn wederkomst in heerlijkheid. Want pas dan zal alle dubbelzinnigheid wegvallen. Eindelijk...
Bron: Ds. G. Willems
Voetnoot
(1) Voor een verzameling van de joodse verhalen en legenden rond de tekst van de Hebreeuwse bijbel kan men het beste terecht bij Louis Ginzberg, Legends of the Jews, 7 delen, Philadelphia 1909-1938. Het werk wordt steeds herdrukt.
Franstalige versie: protestanet.be