Meditaties en studies voor een heel kerkelijk jaar, door Gerard F. Willems
Week 1 van het kerkelijk jaar (advent)
Romeinen 1,1-16 • Jesaja 52,1-12 •

Ieder nieuw kerkelijk jaar begint met de adventstijd, de tijd die ons moet voorbereiden op de komst van Jezus. De adventstijd is de periode van vier weken die aan het kerstfeest voorafgaat. In deze tijd van voorbereiding begint men gewoonlijk met het lezen van een evangelie om zo op het spoor van Jezus’ leven te komen. Het evangelie dat op de meest massieve wijze, kort en krachtig begint, is dat van Marcus. De eerste zin ervan luidt: Begin van het evangelie van Jezus Christus, de zoon van God. Marcus gebruikt het vreemde woord evangelie, zonder het verder uit te leggen. Hij haast zich zijn verhaal te vertellen. Het is anders gesteld met Paulus. Paulus licht het begrip evangelie uitvoerig toe vlak aan het begin van zijn brief aan de inwoners van Rome. Hij heeft goede redenen om dit zo te doen. Hij schrijft naar de hoofdstad van het Romeinse wereldrijk, het Imperium Romanum. Hij is er nog nooit geraakt, maar hoopt er eens te komen en presenteert zich daarom alvast als de brenger van het evangelie. Het woord evangelie had in die tijd te Rome en in het hele Romeinse rijk een heel bijzondere klank en betekenis. Wij kunnen ons dit thans nog moeilijk voorstellen. Het is ten andere goed mogelijk dat juist daarom ook Marcus zijn geschrift begint met hetzelfde trefwoord, ook Marcus schrijft voor de inwoners van Rome.
Wat is dan de betekenis van het begrip evangelie te Rome? De gewone, profane betekenis van het woord is: goede boodschap of blijde tijding. Maar het mysterie zit dieper. Het woord heeft ook een zeer bepaalde godsdienstige Romeinse betekenis. Denk U in, na de eindeloze burgeroorlog en al het bloedvergieten is er eindelijk vrede gekomen in het rijk, de beroemde pax Romana, de Romeinse vrede. Met de invoering van het nieuwe systeem, het keizerrijk, en met het aantreden van de eerste keizer, Augustus, is dit allemaal gebeurd. De eerste keizer heette eigenlijk gewoon Octavianus, een naam zoals een andere, maar hij laat zich Augustus, de Verhevene, noemen. De eerste keizer krijgt zo een aureool die uit het rijk der mythen stamt. Hij is de brenger van vrede en welvaart in het wereldwijde imperium.
Vergilius, de hofdichter van de keizer, brengt alles op een schitterende wijze onder woorden. In zijn welbekende Aeneis laat hij de held Aeneas in de onderwereld de toekomst van Rome zien. Over Augustus wordt voorzegd (VI,791vv): deze is de lang door de vaderen beloofde, de zoon Gods en de brenger van de gouden eindtijd, die het rijk grondvest dat tot over de zonnebaan zich uitstrekt. Het zijn stuk voor stuk zwaarwegende religieus geladen woorden. De lang door de vaderen beloofde, slaat op de voorspelling van de komst van Augustus. Deze werd afgeleid uit de sterren door de astrologen. Op de munten van deze keizer kan men dan ook zijn sterrenbeeld bewonderen, de steenbok, capricornus. De brenger van de gouden eindtijd, slaat op de laatste periode van de geschiedenis van de mensheid, de gouden tijd die al het voorgaande overtreft. Men heeft hier met een echte eschatologische verwachting te maken, de glansrijke heilstijd van het einde.
In ditzelfde verband kan men wijzen op een besluit dat de Griekse steden uit de Romeinse provincie Asia (West-Turkije) namen in het jaar 9 v.Chr.. Zij besloten dat voortaan voor hen het nieuwe jaar op de geboortedag van keizer Augustus zou beginnen, te weten op 23 september. De tekst van dit besluit is onder andere bewaard in inscripties te Priene, Apameia, Dorylaion en Eumeneia. De steden verklaren dat de hele wereld ten onder zou gegaan zijn, was er, met de thans geborene, niet een collectief geluk voor alle mensen aangebroken. De voorzienigheid heeft deze man als redder gezonden. Aan alle vijandschap zal hij een einde maken. En dan volgt het besluit, kort en krachtig: de geboortedag van deze god (Augustus) heeft voor de wereld evangeliën meegebracht; vanaf zijn geboorte moet een nieuwe tijdrekening beginnen (1). Wij kunnen zo besluiten dat de geboorte van keizer Augustus gezien wordt als het aanbreken van de eschatologische heilstijd. Hij is de redder. De evangeliën of blijde tijdingen bij dit gebeuren vertellen dat de gouden tijd die de sterren aangekondigd hebben, eindelijk aangebroken is. Als pittig detail kan men zich hierbij zelfs afvragen of de apostel Paulus op zijn reizen niet ooit de tekst van de inscriptie gelezen heeft.
Dit was het begrip evangelie voor de Romeinen. Maar wat verstaat Paulus onder het woord evangelie? Hij schrijft zijn brief aan de gemeente te Rome een veertigtal jaren na de dood van Augustus, in 57/58 n.Chr.. De mythische achtergrond van de regering van Augustus is dan echter, anders dan men zou verwachten, allerminst begraven. Telkens weer staan er keizers op die hun regering als de eschatologische heilstijd propageren. Denken wij maar aan namen als Caligula en Nero, keizers die zich bovendien openlijk als god uitgeven. Paulus van zijn kant, zwijgt al deze imperiale evangelies dood. Hij kent ze uiteraard, zoals al zijn tijdgenoten, maar hij wil er niets van weten. Hij wil geen compromis met deze machten. Hij voert er een strijd op leven en dood mee. Paulus zal de strijd verliezen en met zijn leven voor zijn onverzettelijkheid betalen. Hij valt als martelaar voor zijn evangelie en wordt te Rome onder Nero onthoofd. Maar opnieuw, wat is dat evangelie van Paulus dan toch, dat hem blijkbaar zo een kracht gegeven heeft?
In de eerste verzen van zijn Romeinenbrief legt de apostel uit dat het evangelie alles te maken heeft met de Hebreeuwse bijbel (het zogenaamde Oude Testament). Hij zegt dat het evangelie beloofd werd door de profeten in de Heilige Schriften. Het gaat hier dus niet om de sterren en de astrologie, maar om de joodse schriften en het verhaal dat erin verteld wordt, het verhaal van God en zijn uitverkoren volk Israël. Daar en daar alleen wordt duidelijk wat de ware verwachting van de eindtijd inhoudt. Dit wordt bijvoorbeeld duidelijk in de gelezen verzen van Jesaja 52. Het gedeelte gaat over de inwoners van Jeruzalem die zich in Babel in ballingschap bevinden. In 587 v.Chr. zijn zij door Nebukadnessar naar daar weggevoerd. Maar dan komt ineens de heilsbode, de evangelist, en zegt tot het verwoeste Jeruzalem dat God er naar weerkeert, aan het hoofd der ballingen. God komt terug naar zijn stad en zijn tempel. De dood is voorbij, Jeruzalem en het volk zullen herleven. Van Jeruzalem uit zal God dan over alles regeren als koning der aarde. Dat is de inhoud van het evangelie, de blijde tijding. God komt en herstelt ondanks de ontrouw van de mensen...
Dit evangelie is inderdaad realiteit geworden met de herbouw van Jeruzalem en de terugkeer van zijn inwoners. Maar toch gaat het na verloop van tijd niet zo goed als verwacht. Het koningschap van God en de trouw van het volk laten te wensen over. Het evangelie moet als het ware nog verder verwerkelijkt worden. De boodschap weegt zwaarder dan de tastbare werkelijkheid. Zo blijft men verwachten en uitzien naar de toekomst. Eens zal het allemaal vol worden, zoals de profeet het beloofd heeft. Wij spreken dan over de verwachting van het Koninkrijk of het koningschap van God, of van de Messiaanse tijd, of van de Messias zelf als de gezondene door God. God zal hoe dan ook zijn heilsboodschap geen lege huls laten zijn!
Paulus heeft zo eerst het begrip evangelie aan Israël gekoppeld, nu koppelt hij het verder aan de jood Jezus van Nazaret. Het gaat niet om de Romeinse keizer. Hij zegt eigenlijk dat de hele verwachting uitloopt op Christus als de unieke figuur. Alles concentreert en verdicht zich in hem. Paulus stelt dat Jezus zelf de inhoud van het evangelie is. Dit is wel heel kras uitgedrukt. De vier evangeliën zeggen dit alles op een veel voorzichtiger manier en hebben oog voor het raadselachtige in Jezus’ doen en laten, maar Paulus niet. Bij hem is alles zozeer in Christus aanwezig dat het wel lijkt alsof het Messiaanse Rijk of het Koninkrijk van God niet meer meetellen als de wereldwijde context waarbinnen alles zich afspeelt...
Concreet formuleert Paulus het zo in de eerste verzen: het evangelie betreft Jezus Christus Gods Zoon met kracht, door de opstanding der doden, onze Heer. De verrijzenis van Jezus uit de dood is het centrale teken van waaruit men alles moet verstaan. Door deze opstanding is gebleken dat hij de Zoon Gods met of in kracht is. Door dit gebeuren is hij immers door God verhoogd en heeft de hoogste macht verkregen. Hij is zo geworden tot Heer of Kurios, de titel die ook de keizer voerde. Sinds zijn verrijzenis uit de dood is Jezus dus de heerser, niet alleen over de gelovigen, maar eveneens over de hele wereld. Christus regeert, dat is het evangelie. Of: Christus is Heer, om de woorden van de oudste geloofsbelijdenis te gebruiken. Dit geldt... ook al wordt dit thans niet duidelijk wanneer men om zich heen kijkt.
Wat betekent dan nu het woordje evangelie voor ons, mensen die leven in de twintigste eeuw? Men zou kunnen zeggen dat het evangelie negatieve en positieve kanten heeft. Het evangelie is allereerst een luid neen, een duidelijke ontkenning aan het adres van de blinde sterrenmachten. Zij beheersen het lot van de mensen niet. De astrologie heeft het niet voor het zeggen en is niet de laatste waarheid. Er klinkt ook een duidelijk neen aan het adres van de staatsmacht, vooral de staat die zich vergoddelijkt. Het rijk dat zich met een mythisch eschatologische aureool tooit, zoals bijvoorbeeld het duizendjarig rijk van Hitler, is zuivere leugen. Men moet niet geloven in keizers, koningen, presidenten, ministers en wat weet ik nog. Dit betekent niet dat zij geen goede dingen zouden kunnen doen, integendeel, maar het blijft allemaal puur menselijk en niets meer dan dat. Hoogmoedige zelfverheerlijking van mensen brengt nooit heil. Degene waar alles uiteindelijk op uitloopt is immers Jezus Christus en niemand anders!
En dan zijn er alle positieve kanten. Er klinkt een oorverdovend ja voor het joodse volk en voor Jezus Christus. Met hem en in hem alléén is het heil van de eindtijd, waarover Israëls profeten gesproken hebben en dat reeds in de Hebreeuwse bijbel zichtbaar wordt, aangebroken. Daarover gaat het evangelie. Christus is reeds met kracht de Heer over kerk en kosmos. Het is weliswaar allemaal nog verborgen, maar weldra breekt het uit, voor allen zicht- en tastbaar. De principiële beslissingen zijn hoe dan ook reeds gevallen en het is verder slechts een kwestie van tijd, van wachten, van verwachten. En dit alles gaat ons aan, betreft ook ons. Paulus zegt het ondubbelzinnig, dit evangelie betekent de redding, het heil, eerst voor de jood, dan voor de Griek. En in dit verband zijn alle mensen, die geen joden zijn, kortweg Grieken. Het evangelie geldt dus ook voor ons!
Bron: Ds. G. Willems
Voetnoot
(1) één van de teksten kan men vinden in J.Leipoldt & W.Grundmann,Umwelt des Urchristentums, Berlijn 1964-1967, deel 2 p.105 n.130
Franstalige versie: protestanet.be