Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

Machtsmisbruik in de kerk

Macht is alleen maar authentiek als ze de onmacht van de ander behoedt voor verdere kwetsuren. (D. Pollefeyt)

SleutelPas tijdens de bedevaart naar Fatima kreeg de paus het over de lippen: de oorzaak van het machtsmisbruik door priesters ligt in de kerk en er moet ‘gerechtigheid’ geschieden. Eindelijk! Al die maanden ervoor, zelfs na de affaire Vangheluwe, werden externe factoren naar voren geschoven (homofilie, hetze van ongelovigen, binnendringen van wereldse zeden in de kerk); het was een ‘beproeving die over de kerk is gekomen’, alsof de kerk het slachtoffer was... Handenwringend zag je mannen bezig om de schade voor het instituut te beperken. Je vraagt je af: hoe komt dat toch? Waarom duurde het zo lang voor de kerk de hand in eigen boezem durfde steken? Ds. Johan Temmerman suggereerde in De MORGEN dat het ‘hiërarchisch machtsdenken’ dat de roomse kerk kenmerkt, geleid heeft tot een ‘moraal toegespitst op de beteugeling van de vleselijke geneugten’, waar de zwaksten altijd het slachtoffer zijn. Daarom heeft de Kerk ‘nood aan ernstig zelfonderzoek’ . Het gaat dus niet om een bijzaak, een incident, maar om een systeemfout, bekering is nodig.

Ik wil even verder denken op deze lijn en ik waarschuw u maar vast, beste lezer, dat ik straks ook de protestantse kerk daarbij ga betrekken, want ‘zelfonderzoek’ kan nooit kwaad. Eerst echter nog iets over macht en machtsuitoefening zelf. Daar is op zichzelf niets mis mee. Integendeel: Macht (in de zin van het vermogen om iets te laten gebeuren) hoort bij de dynamiek van het leven en speelt altijd een rol in relaties tussen  mensen (of groepen van mensen). Macht is aanwezig in de relatie ouder-kind, politie-burger, leerkrachtleerling, werkgever-werknemer, dokter-patiënt, therapeut-cliënt etc. Dat is niet erg, dat is gewoon zo, waar het op aan komt is dat de machtsuitoefening wordt (h)erkend en beheerst, vooral als de relaties erg ongelijk en niet-wederkerig zijn. Dan moet er een wettelijk kader zijn dat de zwakke beschermd tegen misbruik (denk aan de ‘rechten van de mens’). De relatie priester-leek was een generatie geleden beslist zo’n ongelijke en niet wederkerige relatie, immers – gechargeerd gezegd – de ene was gewijd en hoorde bij God (priester), de ander was maar een gewoon aards mens (leek). Geestelijke macht werkt op een veel dieper niveau dan fysieke macht en is dus ook veel vatbaarder voor ontsporing. De vraag naar legitimering en regulering is hier dus urgent. En juist daar wringt het schoentje. Immers: in de roomse kerk werd/wordt de legitimatie van deze machtsverhouding volledig bepaald, aangestuurd en gecontroleerd door… de machthebber zelf. Er is geen spoor van ‘scheiding der machten’ te bekennen. Er was maar één legitimering: de kerkelijke traditie en die stelde dat de bron van die macht door God gegeven was.

Hier is voor een deel een verklaring te vinden voor het feit waarom slachtoffers van pedofilie in de kerk – ook nu nog – zo moeilijk en zo laat voor de dag komen. De machthebber had niet alleen het slachtoffer in z’n greep (lichaam èn ziel!) maar het instituut dat hij vertegenwoordigde had ook diens omgeving in de greep. De mensen waren immers voor hun ziel en zaligheid van de geestelijke stand afhankelijk. Kunt u zich groter macht voorstellen? Een pastoor die tijdens een feestje handtastelijk werd: men zag het wel, maar men ontkende het… collectief. Het moest een uitglijder zijn, of deze pastoor een uitzondering, het werd goedgepraat, collectief verdrongen.
Deze verzwijgende, bepaald niet onschuldige, medeplichtigheid van een hele gemeenschap maakt het ontrafelen van de knoop extra moeilijk. Nog zie je de gevolgen daarvan in de reacties van sommige vrome katholieken in de media. Een leugen heeft zich genesteld in het hart van de kerk en een cultuur van zwijgen, toedekken, manipulatie en hypocrisie doen ontstaan.

GeestelijkeNog beklemmender wordt het als we ons realiseren dat één van de legitimerende factoren van de geestelijke stand precies hun ‘lichamelijke zuiverheid’ was. Priesters waren immers geen gewone mensen maar geestelijken. Uitwendig teken van hun bijzondere status was dat zij de seksualiteit eronder hadden gekregen. Zij beheersten hun lichaam en leefden kuis, celibatair. Als dat geen teken en zegel van hun uitzonderlijke roeping was! Het legitimeerde hun machtspositie. Het is misschien nog goed om te weten, dat dit in theorie al sinds de Middeleeuwen zo was, maar dat de roomse kerk pas in de 19de eeuw alles op alles heeft gezet om op deze wijze haar geestelijke macht te legitimeren, met de onfeilbaarheidsverklaring van de paus als hoogtepunt enkele decennia na de afkondiging van het dogma van Maria’s onbevlekte ontvangenis (zoek het verband!).

Als het kerkelijk discours op dat punt nu volledig hol blijkt te zijn, dan verspeelt de priesterkaste niet alleen maar wat krediet, neen, dan verspeelt ze haar legitimering en begint het hele systeem te wankelen. Daarom is het zo moeilijk, denk ik, voor de bisschoppen en de paus om helder te zien èn om echt de oorzaak van het nu zichtbaar geworden kwaad te benoemen: ze zouden wel eens de tak kunnen afzagen waar ze ook zelf op zitten. Het raakt de fundamenten van hun kerkleer. 

Totzover de roomskatholieke kerk, laten we het nu eens over onszelf hebben, over de protestantse kerk. Hoe zit dat daar? Welnu, ik denk inderdaad dat het bij ons geen systeemfout is (de Reformatie is niet voor niets geweest), maar dat wil nog niet zeggen dat er ook in de protestantse kerk niet tal van relaties voorkomen, waarin macht in het spel is. De dominee is wel geen gewijde priester, maar toch is zijn aandacht voor veel gemeenteleden meer waard dan die van een ‘gewone’ broeder of zuster. Charisma is ook een vorm van macht. En juist omdat wij dit nauwelijks thematiseren in onze ambtsleer, kan het makkelijk ontsporen, zeker binnen pastorale relaties waar de pastor de ‘sterke’ is en de hulpvrager afhankelijk. De vraag die ik in dit verband wil stellen is deze: zijn wij ons van deze stand van zaken bewust en zorgen wij voor regelgeving en onafhankelijke controle op de uitvoering ervan? Is er bij ons voldoende ‘scheiding der machten’ als het gaat om klachten tegen misbruik in pastorale situaties? Is het meldpunt seksueel misbruik of de commissie in staat om onafhankelijk te werken van het instituut van de ‘dader’? Is de rechtsgang transparant?
Ik vraag maar.

ZwijgenNog belangrijker vind ik echter het volgende: Worden pastores voorbereid op het feit dat zij wel eens in heel ingewikkelde relaties terecht kunnen komen? Het onderscheid tussen goedgebruikte macht en machtsmisbruik is immers een tricky matter. Het laatste gebeurt niet met een etiket erop: ‘dit is misbruik’, maar wordt altijd verkocht als een bijzondere vorm van goed gebruik. Machtsmisbruik wordt altijd verhuld, goedgepraat. Of denkt u nu echt dat een pedofiel zal zeggen dat hij seks heeft met een kind om dat kind te kwetsen? Ik denk het niet. Diep-in zal hij het ergens wel weten (alhoewel), maar bijna alle pedofielen zeggen tegen zichzelf – en met succes – dat ze geen kwaad hebben willen doen. Ik hoorde op de TV een Duitse school-prefect zeggen dat hij de jongens van het internaat ’s nachts bezocht om hen te helpen om hun seksualiteit te ontdekken. En hij geloofde het zelf. In zaken van machtsmisbruik moeten we oppassen onszelf niet voor de gek te houden. De mens is een onverbeterlijke zelfrechtvaardiger. Altijd probeert hij zijn eigen gedrag goed te praten. En als de zelfrechtvaardiging niet lukt, dan trekt hij een ander favoriet menselijk register open, dat van de verontschuldiging, de ‘Verharmlosung’. Het was zo erg niet. Dat kan zover gaan dat de dader het slachtoffer eerst medeplichtig maakt en soms zelfs zozeer culpabiliseert (blaming the victim) dat de rollen worden omgedraaid.

In dit zelfbedrog – want dat is het natuurlijk – spiegelt de dader zichzelf en anderen voor dat hij verantwoord bezig was. Bij kerkelijk machtsmisbruik is het niet anders. Een pastor die te ver is gegaan in een pastorale relatie zal zichzelf niet immoreel noemen, maar zal ethische, pastorale of zelfs vrome redenen aanvoeren om zijn gedrag voor zichzelf te rechtvaardigen (“ik zou geen echte pastor zijn als ik mij in mijn betrokkenheid liet inperken door klein-burgerlijke vooroordelen”; “Jezus raakte toch ook de mensen aan”; “liefde kan nooit slecht zijn.” etc.) En juist omdat dit alles niet in de openbaarheid gebeurt (vertrouwelijk gesprek, ambtsgeheim) kan de ontsporing heel lang verborgen blijven en voortwoekeren. Pas als het in de openbaarheid komt vallen zelfrechtvaardigingen als pseudo-ethische en pseudo-pastorale redeneringen door de mand. Ze overtuigen enkel de dader en misschien een groep waarin de pastor als ‘charismatische’ leider functioneert. Ja, ook de protestantse en evangelische wereld kent de medeplichtigheid van de gemeenschap die de pastor op handen draagt…

Het zou ons als protestantse kerk sieren als wij hier eerlijk in zijn en er onze eer in zouden stellen dat onze pastores hierop voorbereid zijn. Dit veronderstelt dat een kerk zijn personeel traint en begeleidt juist op dit punt. Pastores moeten kennis hebben van psychologische mechanismen, van manipulaties, ze moeten gespitst zijn op plotse interferenties tussen bepaalde hulpvragen en eigen kwetsuren, ze moeten weten hoe hun lichaamstaal werkt en vooral: ze moeten zich bewust zijn dat hun handelen in de gemeente (liturgisch, verkondigend en pastoraal) hen macht verschaft, en dat zorgvuldigheid dus het eerste gebod is, want macht is maar authentiek als ze de onmacht van de ander behoedt voor verdere kwetsuren.


dr. Dick WURSTEN, inspecteur protestants-evangelisch onderwijs.
Voor de laatste gedachtengangen, zie D. Pollefeyt, intimiteit in de pastoraal, op de Thomaswebsite van de KU Leuven: http://www.kuleuven.be/thomas/algemeen/mededeling.php


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
T: 02 511 44 71
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be