De protestantse gemeenschappen zijn historisch verankerd in de wereldwijde zestiende eeuwse hervorming ingezet door o.a. Maarten Luther (Duitsland) en Johannes Calvijn (Zwitserland). Ze hebben een eigen geloofsbeleving. De kerkgebouwen zijn doorgaans erg sober ingericht, waarbij overtollige ornamentiek wordt geweerd.
De protestantse gemeenschappen zijn historisch verankerd in de wereldwijde zestiende eeuwse hervorming ingezet door o.a. Maarten Luther (Duitsland) en Johannes Calvijn (Zwitserland). Ze hebben een eigen geloofsbeleving. De kerkgebouwen zijn doorgaans erg sober ingericht, waarbij overtollige ornamentiek wordt geweerd. Van een typische protestantse kerkbouwkunst is in België nauwelijks sprake. Daarvoor is de geschiedenis van het protestantisme te bewogen en het patrimonium niet homogeen genoeg. De gemeenten Gent (Brabantdam), Antwerpen-Noord, Brugge en Mechelen Noord beschikken over oude geklasseerde gebouwen. Die werden vroeger voor de rooms-katholieke eredienst gebruikt. Later werden ze door de burgerlijke overheid ter beschikking van de protestantse eredienst gesteld. De gemeenschappen in Gent (Rabot), Antwerpen-Bexstraat, Mechelen Zuid, Aalst, Ronse, Dendermonde, Oostende, Genk, Wevelgem en Hasselt beschikken over een meer recente infrastructuur. Ze bouwden aan het einde van de negentiende of in de loop van de twintigste eeuw nieuwe kerken. Tenslotte is er nog een derde groep protestantse gemeenschappen, die bijeenkomt in ruimten die vroeger een andere bestemming hadden, maar tot kerkruimte werden omgebouwd: een verbouwde brouwerij (Menen); een oude sigarenfabriek (Geraardsbergen). Al deze gemeenschappen zijn door de burgerlijke overheid erkend, waarbij een "raad van bestuur" (in de rooms-katholieke eredienst = kerkfabriek) verantwoordelijk is voor het onderhoud en de instandhouding van het patrimonium.
Verschillen de protestantse kerkgebouwen in Vlaanderen nogal van uiterlijk, één ding hebben ze gemeen: hun soberheid. Anderzijds kennen ze allemaal ook een aantal vaste symbolische elementen. Alle elementen worden evenwel niet overal (op dezelfde plaats) aangetroffen: het protestantisme kent geen van bovenaf opgelegde uniformiteit en ook geen hiërarchie. Het staat iedere gemeenschap vrij om haar geestelijk leven vorm te geven. Toch staan alle kerken die behoren tot het kerkverband van de Verenigde Protestantse Kerk in België in een zelfde brede reformatorische traditiestroom. D.w.z. dat de symboliek meestal teruggaat op een in de reformatie verankerde traditie. Dat verklaart -naast de diversiteit - het gemeenschappelijk voorkomen in bouw en inrichting van een aantal universeel protestantse kenmerken.
Na de reformatie werden de protestanten uit de Zuidelijke Nederlanden verdreven. Ze vluchtten naar Nederland, Duitsland of Engeland. Zij die bleven moesten onderduiken en clandestien verder leven. Een voorbeeld hiervan is te vinden in Maria Horebeke (bij Oudenaarde). De protestanten, daarom "bosgeuzen" genoemd, trokken zich daar tijdens de bloedige vervolgingen onder de hertog van Alva in de bossen terug. Ze bleven er tot op heden in rechtstreekse continuïteit met de zestiende eeuw voortleven. Tot aan het tolerantie-edict van Jozef II in 1781, was het hen verboden om samen te komen. Na deze datum kregen de Vlaamse protestanten de toelating om eigen kerken te bouwen. De enige voorwaarde was dat deze niet als dusdanig van op straat herkenbaar mochten zijn. In 1795 werd in Maria Horebeke tegen een oude hoeve een kerkgebouw aangezet. Het is tot op heden bewaard gebleven en wordt door de protestantse gemeenschap tegenwoordig als "parochiezaal" gebruikt. Het gebouwtje ademt de sfeer van die tijd: onopvallend van buiten, niet tegen de straat aangebouwd (dat was verboden), zonder klokkentoren (het gebouw mocht niet als kerk herkenbaar zijn). Vanbinnen vallen er op het eerste zicht weinig kerkelijke symbolen te ontdekken. De ruimte zélf is echter symbolisch in haar vormgeving en eenvoud. De kleine protestantse kerkzaal uit 1781 ademt nog de geest van een verdrukte gemeenschap die zich op zondag rond het Woord schaarde en Gods lof zong. Een eenvoudige - in onze dagen verdwenen - preekstoel stond vooraan op een klein verhoog en de kerkgangers zaten er rond op kleine banken (nu vervangen door losse stoelen). Rechts achteraan in de oude kerkzaal valt een deur te bemerken. Ze gaf toegang tot het aanpalende woonhuis, waartegen de kerkzaal van rechtswege diende te worden gebouwd. Het geheel wordt omringd door een klein kerkhofje dat uniek is in Vlaanderen - en zelfs in België. Sinds de reformatie werd in de "geuzenhoek" te Horebeke geen enkele niet-protestant meer begraven. Het is de enige nog bestaande protestantse begraafplaats in Vlaanderen. Later, in het laatste kwart van de negentiende eeuw, werd in Horebeke een nieuwe kerk gebouwd, dit keer mét een klokkentoren. Ze staat voor de oude kerk in het midden van het kerkhof. De inrichting sluit aan bij datgene wat we ook in andere kerken uit die periode aantreffen.
Veel kenmerken die we in de hierboven beschreven oude kerkzaal aantroffen, vinden we ook terug in andere protestantse kerkgebouwen. Slechts enkele protestantse kerken in Vlaanderen hebben om te beginnen een klokkentoren. Veel gebouwen zijn zo onopvallend dat het menigeen die er dagelijks voorbijkomt zelfs ontgaat voor een protestantse kerk te passeren. En ook de binneninrichting is nog steeds op dezelfde leest geschoeid: stoelen of banken staan opgesteld rond een preekstoel en een avondmaalstafel, waarbij duidelijk wordt dat het "Woord" even belangrijk of zelfs belangrijker is dan de bediening van het sacrament. Sommige kerkgebouwen hebben een aanpalende pastorie waar de predikant met zijn of haar gezin woont, andere gemeenschappen doen het zonder en huren voor het predikantsgezin een pastoriewoning.
Dat protestantse kerken zichtbare vertegenwoordigers van waarden en ideeën zijn, valt aan een aantal zaken af te lezen. De protestantse gemeenschappen in Vlaanderen zijn om te beginnen klein en overzichtelijk. Het gemeenschapsleven concentreert zich daarom niet alleen in de feitelijke kerkzaal. De architectuur van meer recente protestantse kerkgebouwen is symbolisch voor de wijze waarop het gemeenschapsleven ook buiten de eredienst wordt beleefd. Naast de feitelijke kerkzaal beschikken alle kerkgebouwen over degelijk ingerichte en goed geoutilleerde nevenruimten. In aparte nevenruimten wordt tijdens de kerkdienst kindernevendienst gehouden. Iedere kerk beschikt daarom over een aparte "nevendienstruimte". Na de zondagse eredienst wordt de gemeenschap verder gezet bij het genot van een kopje koffie: iedere voor de protestantse eredienst gebouwde kerk heeft een koffieruimte, waar de kerkleden elkaar na de eredienst wekelijks kunnen ontmoeten. In oudere kerkgebouwen wordt hiervoor meestal een belendend pand gebruikt, of wordt de kerkzaal zélf als dusdanig gebruikt. Het protestantse kerkgebouw staat in de binneninrichting niet alleen symbool voor de protestantse geloofswaarden, maar ook voor de gemeenschapswaarden die worden gekoesterd. De "filosofie" van het protestantse gemeenschapsleven heeft er trouwens in het verleden voor gezorgd dat bouwdossiers in de plaatselijke gemeenteraden op weerstand stuitten. Aan de locale autoriteiten moet meestal eerst de achterliggende gemeenschapsgedachte worden uitgelegd, vooraleer met de bouw kan worden begonnen. Een protestants kerkgebouw valt niet te vergelijken met een voor de rooms-katholieke eredienst ingericht gebouw.
Een crucifix zal men tevergeefs zoeken. In het Vlaams protestantisme, dat veeleer door het calvinisme dan door het lutheranisme werd beïnvloed, treft men wel het Latijns kruis (zonder gekruisigde Christus) aan. Nergens komt echter een afbeelding van de gekruisigde Christus (een crucifix) - kenmerkend voor de lutherse traditie - voor. De bedoeling is tweeledig: Christus is opgestaan en hangt niet meer aan het kruis en daarenboven wordt zo vermeden dat het kruis tot voorwerp van aanbidding wordt gemaakt. De protestantse traditie kent overigens aan het kerkgebouw geen sacrale waarde toe. Het kan, naar gelang de omstandigheden en de (on)mogelijkheden, polyvalent worden gebruikt.
Veel gevels (Mechelen, Denderleeuw) of binnenwanden (Gent-Brabantdam) zijn gesierd met het bekende Latijns kruis, of met een Hugenotenkruis.
Het Hugenotenkruis is een typisch protestants symbool. Hoewel een tijdlang vergeten, geniet sinds het begin van de twintigste eeuw in protestantse kringen in Nederland en Vlaanderen weer een levendige belangstelling. Deze belangstelling wijst op de aandacht die men toen weer kreeg voor de trouw en de heldenmoed van de verdrukte en vervolgde Franse protestanten. Het Hugenotenkruis is de herinnering aan een smartelijk en roemrijk verleden, maar het is ook een sprekend symbool en een getuigenis van de boodschap van de Hervorming. Het hoofdbestanddeel is het Maltezenkruis, het kenteken van de ridders van Malta, een geestelijke ridderorde uit de middeleeuwen. Het kruis heeft gelijke armen, wijd uiteenlopend aan de top. Het stelt naar alle waarschijnlijkheid een figuur voor die verkregen is door vier pijlpunten naar binnen gekeerd. Het Maltezenkruis is door de Hugenoten overgenomen als christelijk kruisteken. De acht punten worden hierbij geïnterpreteerd als de acht zaligsprekingen, naar Mattheüs 5: 3-10. Het Maltezenkruis wordt gezien als symbool van de wedergeboorte. De armen van het kruis worden verbonden door een krans van lelies, symbolen van reinheid, die bovendien de trouw aan de Franse koning in herinnering roepen. De vier open ruimten tussen de armen van het kruis vormen vier harten, symbolen van trouw. Het aanhangsel is een duifje, vanouds symbool van de Heilige Geest. Aanvankelijk was dit geen duif, maar een oliekruikje in de vorm van een traan. Dit kruikje verwees zowel naar de tranen die door de protestanten in tijden van vervolging werden vergoten, als naar de oliekruik waarin de olie zat die werd gebruikt om de Franse koningen te zalven.
Op sommige gevels (Roeselare) ontdekt men ook een opengeslagen bijbel: die staat centraal en de protestantse gemeenschappen willen hierop de volle nadruk leggen. Dikwijls ligt er een bijbel op de avondmaalstafel vooraan, of op de lezenaar. Het getuigenis van de Bijbel neemt in de protestantse traditie dé centrale plaats in. De bijbel ligt meestal vrij willekeurig open. Veel kansel- of tafelbijbels zijn ooit geschonken bij de stichting van de gemeente of bij een bijzondere datum in het leven van de gemeenschap. De Bijbel wordt zo symbool voor de religieuze, maar ook voor de eigen geschiedenis.Doorgaans zijn er op zondag drie schriftlezingen. Die worden gelezen door de predikant, een lector of de "ouderling van dienst", dat is de dienstdoende ambtsdrager (een niet-predikant) die de medeverantwoordelijkheid draagt voor de kerkdienst. Sommige gemeenten beschikken ook over fraaie exemplaren van oude bijbels, al dan niet met de naam van de gemeente in goudopdruk (Antwerpen-Noord, Gent-Brabantdam)
Wandelt men een oudere protestantse kerk binnen, dan valt onmiddellijk de centrale opstelling van de kansel op. De plaats waar deze preekstoel of kansel zich bevindt is typerend én symbolisch. Het benadrukt het belang dat in de protestantse traditie aan de prediking van het Woord wordt gehecht. De predikant is allereerst "dienaars des Woords" en de uitleg (de "preek") vormt het hart van de zondagse eredienst. Dat werd eeuwenlang symbolisch uitgedrukt door de plaats van de preekstoel: in het midden vooraan in de kerk (o.a. in Maria Horebeke, Kortrijk, Wevelgem, Gent-Rabot, Antwerpen Bexstraat. Uiteraard waren hiervoor ook akoestische redenen: een geluidsinstallatie ontbrak en daarom werd menig kansel voorzien van een "klankbord", d.w.z. een lang houten bord boven het hoofd van de prediker. Dit moest er voor zorgen dat het Woord de gemeente werd ingestuurd. De preekstoel wordt doorgaans enkel gebruikt voor de verkondiging. De rest van de dienst (gebeden e.d) gebeurt van achter de tafel of ook soms van achter een lezenaar. Vaak is de preekstoel gestileerd tot een soort ambo of aparte lezenaar.
In de oudchristelijke basilieken vond men de katheder, waarin de voorganger zittend preekte. Meestal stond die in het toppunt van de kerk, tussen de zetels van de presbyters (ouderlingen). Bovendien kende men de ambo of lessenaar van de voorlezer. Die bevond zich voor het verhoogde uiteinde van de kerk, waarin de stoel stond waarin de voorganger gewoon was te preken. De plaats van de lezenaar was dicht bij de avondmaalstafel. Dat is in vele protestantse kerken nog zo. De lezenaar dient om uit de Bijbel te lezen, maar ook om mededelingen te doen of zelfs soms om de gebeden uit te spreken. In vele modern ingerichte kerken staan kansel en lezenaar op dezelfde hoogte, de lezenaar als men binnenkomt links van de avondmaalstafel, de kansel rechts. Beiden hebben een symbolische functie, want een specifieke zeggingskracht.
De avondmaalstafel stond lange tijd aan de voet van de preekstoel (Antwerpen Bexstraat). In sommige kerken is dit nog het geval. In andere - modernere - kerken is de preekstoel naar de rechterkant van de kerk verschoven. Centraal staat dan de avondmaalstafel. Deze verschuiving heeft soms te maken met akoestische, maar meestal met theologische motieven. Door de oecumenische beweging heeft de protestantse traditie de waarde van het avondmaal (in rooms-katholieke termen genoemd de "eucharistie") herontdekt. In tegenstelling tot het gebruik in katholieke kerken, gaat het hier niet om een altaar: de protestantse traditie kent geen altaar. De tafel is ook niet van steen, maar van hout. Calvijn schafte het misoffer en dus ook het altaar af en stelde daar de houten tafel (die ook in de keuken wordt gebruikt en daardoor de verbinding legt met het gewone profane leven) in de plaats. Ook dat is symbolisch. De viering van het avondmaal is geen mystiek gebeuren maar een zaak van de hele gemeenschap. D.w.z. dat door de maandelijkse of de tweemaandelijkse viering van het avondmaal de gemeenschap zich verbonden voelt met God en met elkaar. Men gaat hierbij rond de tafel staan, of soms zelf rond de tafel zitten.
Op de avondmaalstafel staat het avondmaalstel. De avondmaalsviering is een zaak van de hele gemeenschap die zowel brood (geen hostie, maar "gewoon" brood) als wijn deelt. Tijdens diensten waarin geen avondmaal wordt gevierd, blijven schaal en beker op de tafel staan als symbolen die herinneren aan het sacrament. Brood en wijn hebben geen "sacrale" waarde. Ze blijven ook na de viering gewoon brood en wijn. Het brood wordt niet geconsacreerd, maar gemeenschappelijk gedeeld.
Veel avondmaalsbekers en schalen hebben een bijzondere geschiedenis. Ze werden dikwijls aan de gemeente cadeau gedaan bij een of andere belangrijke gebeurtenis, of door een gemeentelid vervaardigd (Aalst). Soms zijn ze mooi gegraveerd of van een inscriptie voorzien. Ze vervullen in de diensten waarin het avondmaal niet wordt gevierd een symboolfunctie, omdat ze de gemeente bepalen bij Christus' aanwezigheid in Woord en sacrament.
Naast de avondmaalstafel staat de doopvont. De doop is één van de twee (i.p.v. 7 in de rooms-katholieke traditie) protestantse sacramenten. Ook in de protestantse traditie worden de kinderen dus gedoopt, hoewel het dopen van volwassenen niet wordt afgewezen. De doopvont staat symbolisch altijd vooraan in de kerk, om de gemeenschap wekelijks te bepalen bij het sacrament. De doopviering zal ook altijd worden voltrokken tijdens een zondagse eredienst: de hele gemeenschap is getuige van de opname in de wereldwijde kerk.
Aan tafel en kansel hangen de antependia of voorhangende kleden. Ook hier zijn er van plaats tot plaats soms verschillen. Een aantal kerken volgen het liturgisch leesrooster en passen de kleuren van de linten en voorhangende kleden aan het kerkelijk jaar aan. Deze kleurensymboliek verschilt in niets van wat men ook in rooms-katholieke kerken aantreft. Andere gemeenschappen verkiezen daarentegen om het hele jaar door een sober voorhangend kleed te laten hangen dat niet wordt veranderd. ieder voorhangend kleed voorzien van specifieke, bij de thematiek van het kerkelijk jaar passende, geborduurde motieven. Doorgaans blijft het dan het hele jaar door groen. Soms staat er een Hugenotenkruis op, tenzij de liturgische kleuren worden. gevolgd.
De muren of wanden van de protestantse kerken zijn sober of kaal. Soms hangt er een Latijns kruis of een Hugenotenkruis of staan er bijbelteksten op de muren geschreven. In sommige kerken zijn de wanden versierd met een mozaïek dat een bijbels tafereel uitbeeldt. In de protestantse kerk van Gent-Brabantdam heeft men de oude traditie bewaard om de wanden te sieren met de namen van de oud-predikanten. De lijst gaat terug tot in de reformatietijd. In andere kerken, zoals Menen, hangt deze lijst van locale predikanten en/of martelaren in de nevenruimte waar men koffie drinkt. Deze lijsten hebben naast een decoratieve ook een symbolische functie. Het protestantisme is een in de geschiedenis verankerde godsdienst die zich van zijn historische antecedenten bewust wil blijven.
Glasramen zijn in protestantse kerken eerder schaars. Vermits de calvinistische traditie zich verzette tegen afbeeldingen in de kerk, werden ook de glasramen aanvankelijk geweerd. Later kwam hierin verandering. Als voorbeeld noem ik de protestantse kerk in Wevelgem. Ze werd opgericht na de eerste wereldoorlog, gebouwd met Amerikaans geld en naar Amerikaans model ingericht. In de glasramen is de stichtingsgeschiedenis vastgelegd. Elders werden de ramen versierd met teksten uit de bijbel, of verwijzen ze naar een bepaalde episode uit de geschiedenis van de gemeente. Dit is het geval in Maria Horebeke, Gent Rabot en Antwerpen-Noord. In Antwerpen Bextraat siert een decoratief glas-in loodraam de gevel van de kerk. Brasschaat telt een aantal moderne glasramen uit 1961.
![]() |
In de protestantse kerken wordt veel gezongen. Een enkele gemeente beschikt over een historisch orgel (Antwerpen Noord). Andere gemeenten maken gebruik van moderne instrumenten. In Roeselare staat een bamboeorgel - een unicum in België. Veel gemeenten beschikken, om financiële redenen, enkel over een elektronisch instrument dat wordt gebruikt ter begeleiding van de veelvuldige gemeentezang. |
Bron: dr. G. Liagre
Franstalige versie: protestanet.be