In de sporen van de bosgeuzen
Op de markt van het vredige Nieuwkerke herinnert een standbeeld aan de woelige geschiedenis van dit dorp in de West-Vlaamse Heuvelstreek. Tijdens de zestiende eeuw hielden de bosgeuzen het in de ban met een golf van terreur en plunderingen.
NIEUWKERKE was ooit een bloeiend centrum van lakennijverheid. Al in 1352 waren er we vers actief. Tijdens de eerste helft van de zestiende eeuw werd er zelfs meer laken geproduceerd dan in Gent, Brugge of Ieper. Nieuwkerke trok heel wat arbeidskrachten aan: wevers, volders, scheerders en ververs. De toeloop van vreemde arbeiders was zo groot dat het centrum uit/zijn voegen barstte en het dorp zijn landelijk karakter verloor.
Over de Leie en de Schelde werd het laken van het Westkwartier verscheept naar de haven van Antwerpen en van daaruit naar heel Europa. Ook de omliggende dorpen Dranouter, Wulvergem en Kemmel deelden in de economische welvaart - of beter: de nieuwe klasse van drapeniers, want de arbeiders leefden in grote armoede.
Rond 1550 keerde het tij en kwam er een einde aan de hoogconjunctuur. Nieuwkerke schakelde namelijk over van laken op minderwaardige stoffen en de productie nam af. Een hoge werkloosheid en een toenemende sociale onrust waren daarvan het gevolg.
Tegen die achtergrond kreeg een nieuwe godsdienst, het calvinisme, steeds meer bijval. Aanhangers klaagden onder andere de sociale wantoestanden aan. De kerkelijke en wereldlijke overheden reageerden met verbanningen, vervolgingen, gevangenisstraffen en zelfs terechtstellingen. Heel wat drapeniers en wevers weken uit, vooral naar Leiden en naar Engeland. Toch was de nieuwe religie niet te stuiten. Omdat zovele mensen de predikingen bijwoonden, vonden die steeds meer buiten plaats. Uit angst voor de vervolgingen verstopten de predikanten en volgelingen zich achter hagen en bomen, wat de term hagenpreken verklaart.
Het succes van de hagenpreken en de ellendige sociaal-economische omstandigheden mondden in 1566 uit in een storm van geweld. Tijdens de zogenaamde Beeldenstorm werd de inboedel van honderden kerken, kloosters en kapellen vernield. Vanuit het Westkwartier waaide de woede over naar de andere Vlaamse steden en ook de Noordelijke Nederlanden bleven niet van geweld gespaard.
Om de gemoederen toch enigszins te bedaren, stond Margaretha van Parma (voor meer informatie, zie De Hervorming in België) een beperkte godsdienstvrijheid toe. Het is trouwens in haar omgeving dat de term geuzen ontstaan is. Toen edelen naar de landvoogdes kwamen met een smeekschrift om de vervolgingen te stoppen, zei haar raadsman: "Ce ne sont que des gueux". Het zijn maar bedelaars.
De godsdienstvrijheid was slechts van korte duur en al snel was de jacht op de calvinisten opnieuw open. Toen Filips II zijn krijgsman Alva naar de Nederlanden stuurde, was het hek helemaal van de dam. De Raad van Beroerten voerde een ware vloedgolf van vonnissen en executies uit en Alva's buitengewone rechtbank werd tot Bloedraad omgedoopt.
Op 31 mei 1568 werden in Nieuwkerke alleen al 82 calvinisten veroordeeld, vooral mensen die al gevlucht waren en dus bij verstek verbannen werden.
De sfeer onder de geuzen werd grimmig en hun reactie bleef niet uit. Ze organiseerden zich in guerrillalegertjes die opereerden vanuit de bossen, en kregen zo hun naam: de bosgeuzen.
Een van de groepen drong onder leiding van Jan Camerlynck op 11 januari 1568 de pastorie van Reningelst bij Poperinge binnen. De geuzen gijzelden de pastoor, de onderpastoor en de koster. Ze plunderden de kerk en trokken naar Dranouter, waar ze nog een pastoor gevangen namen en de kerk in brand staken. De bende zette daarna haar plundertocht verder langs Kemmel, Nieuwkerke en Nieppe. Uiteindelijk keerden de geuzen terug naar Nieuwkerke en nabij het Westhof vermoordden ze de geestelijken uit Reningelst. De pastoor van Dranouter overleefde het drama.
Een tijdje na die gebeurtenissen werden de bosgeuzen in Noord-Frankrijk gevangen genomen en terechtgesteld op de markt van Ieper. De dood van Jan Camerlynck was gruwelijk en moest als voorbeeld dienen. Zijn oren werden afgesneden en daarna rukte men met een gloeiende tang stukken van zijn lijf. Daarop bonden zijn folteraars hem achter een kar die rond de markt reed en op elke hoek werd hij nog meer gefolterd. Uiteindelijk bond men hem vast op het schavot. Boven zijn hoofd hing een ketel met brandende pek die op zijn lichaam druppelde, zodat hij levend verbrandde.
Het Heuvelland is zijn verleden niet vergeten. Op de vierde zondag van september houdt Nieuwkerke een geuzenevenement, waarbij de godsdiensttroebelen aan de hand van tableaux vivants uitgebeeld worden. Nieuwkerke telt ook andere herinneringen aan wat in de zestiende eeuw gebeurde. Het meest recente voorbeeld is het geuzenstandbeeld op de markt. Op de houtsculptuur uit 2001 lees je de oudste naam van het dorp, Nova Eglisia. De bedeltas aan de voorkant staat symbool voor de geuzen. Verder is ook een weefgetouw uitgebeeld en de Lakenhalle die hier stond van de veertiende eeuw tot 1844. In de kerk beeldt een kunstig glasraam van Camille Wybo uit 1924 de gruwelijke marteldood uit van de drie geestelijken uit Reningelst. Hun sterf te dag, 12 januari 1568, wordt hier herdacht als Verloren Maandag of Weversmaandag. De moord wordt ook herinnerd door de Kruistombe, een stenen kruis uit 1928 dat opgericht werd op de plaats waar de doodslag zou plaatsgevonden hebben.
Bijna twintig jaar vroeger had pastoor Lootens ook al een kruis opgericht op de Zwartemolenberg, het Calvariekruis. De pastoor organiseerde er elke derde zondag van september een bedevaart naar: Ondertussen is die uitgegroeid tot een verzoeningsbedevaart ter nagedachtenis van alle slachtoffers van de godsdienstperikelen in de zestiende eeuw.
De processie werd vroeger trouwens druk bijgewoond door Fransen, die van de gelegenheid gebruik maakten om - illegaal- hun inkopen te doen. Een begeerd goed was Braziliaanse koffie. In de grenswinkels gingen er ettelijke kilo's over de toonbank en daarom noemden de Fransen de bedevaart ook wel eens "le pèlerinage du Brésil".
![]() |
Afstand: 8km, Bewegwijzering: geen, Vertrekpunt: marktplein van Nieuwkerke, Ondergrond: veldwegen en verharde wegen
Het startpunt ligt op het marktplein. Voor je vertrekt, kun je eerst een bezoekje brengen aan de kerk (1). De glasramen geven een goede inleiding tot het thema van deze geuzenwandeling. Ze beelden de gruwelijke marteldood uit van de drie priesters uit Reningelst.
Met de kerk in de rug verlaat je het marktplein via de rechteruithoek.
Je volgt de Steenwerckstraat tot die links in de Seulestraat loopt. Na een eindje stappen sla je aan de rechterkant een veldweg in die net voor een kapelletje (2) naar boven loopt.
Deze veldweg is voor het grootste deel onverhard en kan er behoorlijk nat bij liggen. Na ongeveer zeshonderd meter kruist hij een landelijke weg. Die volg je links naar beneden. Aan het volgende kapelletje stap je rechts de Eikelstraat in, die je een hele tijd blijft volgen.
Je wandelt voorbij de militaire begraafplaats Westhof Farm Cemetery, waar gesneuvelden uit de Eerste Wereldoorlog een laatste rustplaats kregen. In het gastenboek bij de ingang van het kerkhof ontdek je bezoekers van over de hele wereld, voornamelijk uit het Verenigd Koninkrijk en Australië.
Een eind verderop ligt links in de Leievallei 't Groot Westhof (3). Het was in de veertiende en vijftiende eeuw een grote heerlijkheid naast de dorpsheerlijkheid Nieuwkerke. In de zestiende eeuw vormde het hof een geschikt schuiloord voor de geuzen.
Wandel rechtdoor tot aan de Kruistombe (4). Op deze plaats zouden de drie priesters vermoord zijn door de geuzen. Om hen te herdenken richtte pas toor Gustaaf Lamerant dit kruis op in 1928.
Hier bevind je je letterlijk aan de rand van de Leievallei. De plek zag er een vijftal eeuwen geleden helemaal anders uit, met grote bossen voor en achter je: het Neerbos, het Hoogbos en het Tombebos. Die laatste naam bestond trouwens allang voor de moord op de priesters. Dat er nu geen bossen meer zijn, is te wijten aan de bombardementen tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Je loopt nog even rechtdoor tot je rechts een veldweg in kunt. Op het einde ervan stap je opnieuw rechts tot bij het Calvariekruis (5) op de Zwartemolenhoek. Het werd in 1909 opgericht door pastoor Lootens, ter nagedachtenis van de gebeurtenissen in de zestiende eeuw. De priester organiseerde iedere derde zondag van september een bedevaart naar deze plek.
Bij het volgende kruispunt loop je rechtdoor. Daarna neem je de tweede straat aan je rechterkant. Deze veldweg brengt je in de Bellestraat die je links blijft volgen tot je terug op de markt van Nieuwkerke staat. Let hier nog even op het nieuwe geuzenstandbeeld (6). Rond het standbeeld worden in het voorjaar kruiden geplant die destijds gebruikt werden om het laken te verven: pastelblauwe wede, rode meekrap en gele wouw.
Bron: Evy Ballegeer, De Standaard, Zaterdag 16 & zondag 17 augustus 2003
Franstalige versie: protestanet.be