Protestantse Kerken België

 contact |  over ons |   organigram

REY, Jean Max Georges (1902-1983)

Als zoon van Arnold Rey, predikant van de protestantse kerk van Luik en van Hélène Cérard, die uit een Luikse liberale familie stamt, zal Jean heel zijn leven een toegewijd liberaal en protestant zijn.

REY, Jean Max Georges (1902-1983)Hij doet zijn middelbare studies aan het Koninklijk Atheneum van Luik. Van 1914 tot 1915 leeft hij, met zijn moeder, als vluchteling in Engeland waar hij Engels leert. Hij is een briljant scholier en behaalt de uitmuntendheidprijs op een vergelijkend examen van de Koninklijke Athenea. Als beursstudent van de Universitaire Stichting, slaagt hij, met grootste onderscheiding, in zijn rechtenstudies aan de Rijksuniversiteit van Luik, waar hij vice-president is van de Federatie van liberale studenten. In 1926 wordt hij ingeschreven aan de balie en loopt hij stage waarna hij medewerker wordt van meester Ch. Magnette, minister van Staat, verzetsstrijder en grootmeester bij de vrijmetselarij. Hij huwt, in 1928 met Françoise Gevers, nicht van Marie Gevers en Ernest Mahaim. Zetelend in de gemeenteraad van Luik, 1935 tot 1958, wordt hij verkozen als volksvertegenwoordiger in 1939. Als lid van het Comité liégeois pour la S.D.N. kiest R. stelling ten voordele van de ontwapening. Als federalist van het eerste uur sticht hij de Entente libérale wallonne en maakt hij deel uit van de groep van de Action wallonne, een weekblad dat verschijnt tot april 1940. Als vooruitstrevend advocaat verdedigt hij in 1932, Camille Lejeune, een protestants dienstweigeraar voor de Krijgsraad en het Militair Gerechtshof te Brussel. Van 1937 tot 1939 stelt R. de neutraliteitspolitiek van de regering erg in vraag. Hij is reserve-officier tijdens de 18-daagse veldtocht en van 1940 tot 1945 krijgsgevangene te Eichstätt, Kolditz en ten slotte Lübeck. Hij verneemt dat zijn ouders zijn omgekomen in het bombardement van Arras en bewijst hen eer in: La pensée d'un pasteur libéral, souvenir du Pasteur et de Madame Arnold Rey (1877-1874)-1940. Tijdens zijn gevangenschap studeert hij talen, bekwaamt zich in de muziek en maakt deel uit van een groep protestanten, katholieken en joden, die zich bezighouden met bijbelstudie. Deze oorlogservaringen bepalen dat R. zal strijden tegen het nationalisme, maar voor een verenigd Europa en voor de oecumene. Hij wordt lid van de Oecumenische Studiecommissie voor Europese Problemen, opgericht door A. Philip in het kader van de W.R.K., gesticht te Amsterdam in 1948. Hij wordt weduwnaar in 1946 en hertrouwt in 1950 met Suzanne Ledent, weduwe van Paul Brouha, die door de Duitsers te Luik gefusilleerd werd in mei 1943. Herkozen in de Kamer in 1946, stelt hij een grondwetsvoorziening voor m.b.t. decentralisatie van de macht en federalisering van het land. Als waarnemend lid van de derde algemene vergadering van de Verenigde Naties in 1949 te Parijs, stelt R. het functioneren en het budget van de organisatie in vraag. In 1949 en 1950 is hij minister van Wederopbouw en geeft hij voorschotten aan oorlogsslachtoffers. Tijdens de koningskwestie, in een zeer mooie redevoering, verzoekt R. de eerste minister of deze aan koning Leopold III wil vragen de troon af te staan aan zijn zoon Boudewijn. Tijdens de schoolstrijd steunt R., trouw aan het liberalisme, het openbaar onderwijs: neutraal, verdraagzaam en pluralistisch. Als minister van Economische Zaken, van 1954 tot 1958, behandelt hij het energievraagstuk, rationaliseert de textielsector, stimuleert het wetenschappelijk onderzoek en moedigt buitenlandse investeringen aan. Als administrateur van de Conseil économique wallon vanaf 1945, is R. ook een der eerste ministers van Economische Zaken die een actieve regionale economische politiek bevordert terwijl hij op internationaal niveau meewerkt aan de opstelling van het Verdrag van de Benelux Economische Unie. Hij wordt drie maal voorzitter van de ministerraad van de E.G.K.S. en voert onderhandelingen met het oog op de oprichting van de E.E.G. en Euratom. In 1958 schorst hij zijn inschrijving aan de balie en woont hij de vergaderingen van de Kamer en de Regering niet langer bij. Als lid van de commissie van de E.E.G. wordt hij datzelfde jaar belast met buitenlandse betrekkingen en sluit hij associatieverdragen af met Griekenland en met Turkije. In 1960 maakt hij een studie voor het Paul Hymans Centrum, getiteld: Vers un nouveau pacte social waarin hij de Belgische staat de taak oplegt om de privé-sector te controleren en de werknemers te beschermen. Hij wil de syndicale leiders in het beheer van de onderneming interesseren en de werknemers in de rendabiliteit van de investeringen. Evoluerend naar een meer sociaal liberalisme wordt hij medevoorzitter van de Association belge pour Ie progres social met Meneer J. Basyn (van 1952 tot 1953). Als gevolg van het succes van de Kennedy Round, internationale tariefonderhandelingen, wordt hij op 01.07.1967, voorzitter van de E.E.G.-commissie, na de fusie van de executieven van de E.G.K.S., Euratom en E.E.G. Ervan overtuigd dat economische en sociale vraagstukken, zoals veiligheids- en milieuproblemen niet meer binnen het enge kader van een staat kunnen opgelost worden, wenst R. een verenigd Europa op te richten dat zijn eigen plaats heeft in de wereld en dat haar verantwoordelijkheden m.b.t. de ontwikkelingslanden zal opnemen. Op 01.08.1968 wordt de Union douanière een feit, 18 maanden voor de datum die vastgesteld werd in het Verdrag van Rome. De Karel de Grote-prijs wordt aan de Commissie collectief toegekend in 1969. In december van dat jaar, tijdens de Conferentie van Den Haag, stelt de commissie zich de economisch monetaire eenmaking tot doel en maakt een opening naar Groot-Brittannië en de Scandinavische landen toe. Uit zijn taak ontheven in 1970, blijft R. toch strijden voor de eenmaking van Europa en oefent hij talloze functies uit. Hij zit te Brugge de Raad van beheer van het Europacollege voor van 1964 tot 1974 en geeft les aan het Institut d'études européennes van de U.L.B. vanaf 1963. In 1972 is hij naast Minister van Staat ook voorzitter van het arbitragehof van de Internationale Kamer van Koophandel te Parijs. Hij volgt W. Hallstein op in het voorzitterschap van de Mouvement Européen International, dat hij uitoefent van 1974 tot 1976. Te Brussel is hij voorzitter van le Centre d'études libérales Paul Hymans, le Mouvement libéral pour l'Europe unie, en te Parijs van het Centre international de formation européenne. Hij is voorzitter van de Fondation P.-H. Spaak, en lid van de Raad van de Fondation Jean Monnet pour l'Europe. Hij is president van de Société d'Etudes et d'Expansion de Liège, en zetelt in het Comité exécutif du Grand Liège, alsook in de Conseil économique de la Province. Verkozen bij algemeen stemrecht, zetelt hij in het eerste Europees Parlement van 1979 tot 1980. Als doctor honoris causa van de universiteiten van Oxford en Harvard, krijgt hij dezelfde academische onderscheiding op de Pace University van New York, de Drew University (New Jersey) en de Universiteit van Luik waar hij de Chaire Francqui bekleedt van 1976 tot 1977. In 1973 wordt hij corresponderend lid van de Koninklijke Academie van België en in 1979 wordt hij tot lid verkozen. Als erevoorzitter van de C.J.M.V. van België neemt hij het woord tijdens een academische zitting bij de 100ste verjaardag van de Bond in 1958. Van 1958 tot aan zijn dood maakt hij deel uit van een oecumenische groep van protestanten en katholieken die elke maand vergadert en organiseert hij een jaarlijkse plenaire vergadering in het klooster van Brialmont in de gemeente Tilff. Als lid van de protestantse kerkenraad van Luik, woont hij de diensten regelmatig bij en vervangt hij bij gelegenheid de organist tijdens de zomervakanties. Hij sterft te Luik op 19 mei 1983 en is begraven op het kerkhof van Robermont na een rouwdienst in de protestantse kerk aan de quai Marcellis te Luik. Het besluit van een verklaring voor het parlement van Straatsburg, geeft de zienswijze weer die hij heeft op de hedendaagse geschiedenis, waarin hij een belangrijke rol gespeeld heeft: Twee grote evenementen met geestelijk karakter bepalen deze tweede helft van de 20ste eeuw: de verzoening van de kerken en de verzoening van de volkeren.

Bron: Béatrice Denuit Van Leopold I tot Jean Rey


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
T: 02 511 44 71
Neem contact op

Franstalige versie: protestanet.be