Protestantse Kerken België | Kort overzicht

Huis van het Protestantisme |  contact |  organigram

Kort overzicht

Een korte beschrijving van de geschiedenis van het Belgische protestantisme van de Reformatie tot en met de 20e eeuw

Korte geschiedenis van het Protestantisme in België

Inleiding
Het Protestantisme vindt zijn specifieke oorsprong in de godsdienstige hervorming, de Reformatie, die in de 16e eeuw startte met Luther, Melanchton, Zwingli, Farel, Calvijn en anderen. De geschiedenis van het christendom begon vijftien eeuwen daarvoor. Ze is begonnen na de tijd dat Jezus van Nazareth leefde en stierf en een kleine gemeenschap van gelovigen voortging in zijn spoor. Na de opwekking van Jezus vormen zij een gemeente. Over de eerste christenen vertelt het boek Handelingen in het Nieuwe Testament:
"Zij dan, die zijn woord aannamen werden gedoopt, en er werden op die dag omtrent drieduizend zielen toegevoegd... En allen, die geloofden, waren bijeen, en hadden alle dingen gemeenschappelijk." (Hand. 2: 41 en 44)
De lange geschiedenis van 200 jaar van de leerlingen van Jezus werd getekend door vervolgingen maar ook door splitsingen. Al snel was er sprake van een breuk met het Jodendom, waar de eerste christenen aanvankelijk nog bij hoorden. Ook de ‘ketterijen’ uit de vierde en vijfde eeuw brachten veel strijd. Blijvend is ook de breuk geweest tussen de roomse en de orthodoxe kerk in de 11e eeuw. In de 16e eeuw tekende zich in Europa een nieuwe breuk af tussen de Rooms Katholieke kerk en de Reformatie, die tot op vandaag bestaat (al bestaat er tegenwoordige een hartelijke oecumenische samenwerking). Deze "nieuwe weg" in de geschiedenis van het christendom, hebben de Reformatoren als een noodzakelijke stap beleefd, zoals Pierre Chanu stelt:
"De Reformatie kan niet gelijkgesteld worden aan een ketterij. De Augustana, d.w.z. de lutherse geloofsbelijdenis (25 juni 1530), en Calvijn staan aan de kant van de orthodoxie van de grote concilies van Nicea en Chalcedon, tegen de ketters van de eerste eeuwen en van alle eeuwen. Vanaf dat ogenblik krijgen we een Kerk die zich op twee manieren t.o.v. de gemeenschappelijk oorsprong verhoudt, die de continuïteit anders beleeft (1) ".
De hervorming binnen de rooms katholieke kerk was aan de orde sinds drie concilies in de loop van de vijftiende eeuw. Deze hadden gepoogd een oplossing te vinden voor het verval zowel binnen de priesterklasse als bij de leken. Op 31 oktober 1517 had Martin Luther, door het publiek maken van zijn 95 stellingen, duidelijk zijn positie bepaald. De Reformatie begon in de 16e eeuw bijna tegelijk in verschillende Europese landen. In minder dan tien jaar had ze zich verspreid over Duitsland, Zwitserland, Frankrijk, Engeland en België.
België was in de zestiende eeuw een kruispunt van Europa. Het maakte deel uit van prinsdommen, die door de Bourgondische hertogen in de voorgaande eeuw verzameld werden. Het geheel, beter gekend als "Zeventien provincies van de Nederlanden" omvatten het geheel van de huidige Benelux, het noorden van Frankrijk en het westen van Duitsland. Deze Bourgondische kring werd in twee delen opgesplitst door het bisschoppelijk prinsdom van Luik dat onafhankelijk bleef tot in 1795.

De hervorming in België
Onder keizer Karel V werden de eerste tekenen van de Reformatie zichtbaar. Deze prins werd te Gent geboren in 1500. Hij werd de keizer van Duitsland, koning van Spanje en Sicilië en erfde de Nederlanden in 1515. Hij heerste over de helft van de Europese wereld. Toen hij in 1555 aftrad, gingen de Zeventien Provincies over naar het Spaanse bewind onder zijn zoon Philips II.

De Reformatie in ons land begon te Antwerpen, waar de gedachten van Martin Luther verspreid werden door de augustijner monniken, handelaars van het verbond van de Hanzesteden en door drukkers. Vanaf 1519 liet Desiderius Erasmus, een christelijk humanist, aan Luther weten, dat zijn boeken in de stad gelezen werden en zijn evangelische boodschap verkondigd werd door o.a. de abt Jacobus Praepositus. De vervolging was hard en veel van deze monniken werden gevangen gezet te Vilvoorde. Op 1 juli 1523 werden twee van hen, Henri Voes en Jan van Esschen, die geweigerd hadden hun geloof af te zweren, s' morgens naar de Markt van Brussel gebracht. Eerst werden ze uit hun priesterlijke stand gezet en na de middag werden ze verbrand. België kreeg hierdoor de 'trieste eer' de eerste slachtoffers van de Reformatie gemaakt te hebben.
Ook andere invloeden deden zich in onze Provincies gelden. De gedachten van Martin Bucer (van Straatsburg) en van Ulrich Zwingli (van Zurich) waren er bijvoorbeeld. Deze werden uitgewerkt door Johannes Calvijn. Ook de zg. ‘wederdopers’ lieten van zich weten, hier onder leiding van Conrad Grebel en Melchior Hoffmann. Het anabaptisme erkende weliswaar de kinderdoop, maar eiste een herdoop op volwassen leeftijd. Tot op vandaag zijn de baptisten en de mennonieten de nazaten van het geweldloze anabaptisme. Verschillende ideeën waren dus in omloop, die van ‘populaire spontane bewegingen’ stilaan overgingen naar een kerkelijk instituut, in de loop van het tweede kwart van de zestiende eeuw. Dit zal uiteindelijk tot de vorming van de lutherse, de gereformeerde (of calvinistische) en de mennonitische kerken leiden.
Het Calvinisme dat zich vanaf de jaren 1540 manifesteerde, gaf een nieuwe oriëntatie aan de beweging, door op te komen voor de godsdienstige en politieke vrijheid. In minder dan twintig jaar nam het calvinisme een overheersende plaats in tussen de kerken die uit de Reformatie stamden. Er kwam een georganiseerde, dynamische en democratische beweging op gang, via de ontwikkeling van de kleine, verboden bijeenkomsten. Er ontstonden geleidelijk goed georganiseerde kerken, geleid door ‘kerkenraden’, die waren samengesteld uit een pastor (voorganger) en leken (ouderlingen en diakenen) en op hun beurt weer bijeengebracht in een nationale Synode. Vanuit Genève volgde Johannes Calvijn met aandacht de ontwikkelingen van deze gemeenten.

De Geuzen
Vanaf het eerste begin van de Reformatie hadden burgerlijke en religieuze overheden gereageerd door het publiceren van talrijke verordeningen - plakkaten - tegen de ‘ketterij’. Reeds in 1527 werd de schilder Bernard de Orley wegens ketterij veroordeeld. Zijn standbeeld werd opgericht op de Kleine Zavel te Brussel. Daar verkeert hij in goed gezelschap van andere bekende protestanten, zoals Willem van Nassau (de Zwijger), die in het paleis van Dürer verbleef in 1520 en waarvan we als laatste overblijfsel de kapel van Nassau kennen, palende aan de Albertina bibliotheek. Verder vinden we daar Hendrik van Brederode, de plantenkundige Rembert Dodonnée, de aardrijkskundige Gerard Mercator en Abraham Ortélius, auteur van de eerste atlas, Filips van Marnix van Sint-Aldegonde, militair en dichter, theoloog en pedagoog.
Op 14 oktober 1529, werden alle ketters tot de doodstraf veroordeeld en werd overgegaan tot in beslagname van hun goederen. De rooms katholieke kerk kende de Inquisitie en Karel V schiep een staatsinquisitie. Duizenden verdachten werden aangehouden en velen ter dood gebracht. In het Brusselse werden vele gereformeerden opgesloten in de gevangenis die zich in een straat achter het Stadhuis bevond. Dit gebouw werd smalend 'Amigo' genoemd want weinigen slaagden erin om er uit te komen, zoals de vertaler van het Nieuwe Testament in het Spaans, Jacques de Enzinas, die zijn leven in de Amigo beschrijft in zijn memoires.
In 1566 wordt het aantal protestanten op driehonderdduizend geschat, 20% van de bevolking. In het hotel Culembourg te Brussel (waar zich vandaag de kazerne Prins Albert bevindt) werd een smeekschrift opgesteld en getekend door meer dan duizend edelen, dat door 300 van hen aan de gouvernante Margaretha van Parma werd voorgelegd met het oog op de opheffing van de plakkaten. Op 5 april 1566 diende deze stoet van het Verbond, gekend onder de naam van het ‘Eedverbond van de Edelen’, zich aan bij het paleis van de gouvernante. Deze werd door paniek overvallen en tot kalmte gebracht door een raadgever die zou gezegd hebben:
"Bedaar, mevrouw, het zijn maar geuzen!"
Op 8 april tijdens een banket, dronk Hendrik van Brederode uit een houten kom, schoof een bedelzak over zijn hals en riep uit "ik heb gedronken op het goed geluk van de geuzen, leve de Geuzen!".
De hertog van Alva liet vervolgens in 1568 het hotel van Culembourg met de grond gelijk maken en er zout uitstrooien om die plaats te zuiveren. Een verzoeningskolom werd opgericht "wegens de conspiraties die men er hield tegen de rooms katholieke kerk en tegen de koning Filips II, katholieke koning van Spanje". Een herdenkingsplaat aan de kazerne prins Albert, laat ons de emblemen van de Geuzen zien, de maan, de kom en de bedelnap evenals de verbonden handen en drie van hun lijfspreuken:
"Liever Turx dan Pausch" (Liever Turk dan aanhanger van de paus);
"Libertas Vita Carior" (De vrijheid is kostbaarder dan het leven);
"Tot aan het dragen van de bedelnap".
In 1568 werden negentien edelen onthoofd op de plaats van de Grote Zavel, die toen de Paardenmarkt werd genoemd. Andere massale en spectaculaire terechtstellingen hadden plaats op de plek waar nu het Paleis van Justitie staat of op de Grote Markt. Daar werden Lamoral, graaf van Egmont, en Philippe de Montmorency, graaf van Hoorn, onthoofd.
Een kroniek van die tijd preciseert:
"Hun hoofden werden op hoge palen gespiesd en bleven er. Bij het lichaam van de graaf van Egmont werden twee brandende kaarsen geplaatst omdat hij als katholiek stierf. De andere, die anders stierf, kreeg deze eer niet".
De gereformeerden hielden hagenpreken, die duizenden hoorders bijeenbrachten. De beeldenstormers, die ongelukkigerwijze de heiligenbeelden in de kerken vernielden, verbroken het wankel evenwicht tussen de aanwezige machten. Velen werden ter dood veroordeeld. De gouvernante liet de troepen uitrukken om haar wil op te leggen, wat een opstand in verschillende steden tot gevolg had: Bois-le-Duc, Doornik, Valenciennes. Deze laatste gaf zich na een langdurig beleg over. De reformator Guido de Brès - auteur van de Confessio Belgica - werd op 31 mei 1567 opgehangen na het Avondmaal bediend te hebben.
Koning Filips II stuurde de hertog van Alva met 12.000 soldaten. Hij richtte de ‘Raad van Beroerte’ op die meer dan 12.500 personen veroordeelde. Talrijke gereformeerden doken onder en kwamen in opstand. De Bos- en de Zeegeuzen namen op 1 april 1572 Den Briel in. Alva werd door de koning teruggeroepen. De nieuwe gouverneur don Luis de Requesens kende verscheidene militaire nederlagen en probeerde via onderhandelingen tot een akkoord te komen. Dit alles werd door zijn onverwachte dood onderbroken.

De Calvinistische Republieken
Gedurende de periode zonder gouverneur, hadden de Staten Generaal de macht en riepen op 8 november 1576 de Pacificatie van Gent uit, terwijl de muitende soldaten - de Spaanse furie - de stad Antwerpen onder de voet liepen. Don Juan van Oostenrijk, de nieuwe gouverneur, die op zich de Pacificatie niet wilde volgen, vond in de citadel van Namen een schuilplaats.
In de loop van de maand augustus 1577, nam een opstandige groep van 18 leden de macht over te Brussel. De stad werd een kleine calvinistische republiek: de Geuzen waren op het stadhuis. De steden Gent, Antwerpen, Brugge, Kortrijk, Ieper, Doornik en Dendermonde volgden dit voorbeeld. Gedurende de periode van de calvinistische republiek (1577-1585) werden de kerken van de stad en zelfs de St.-Michielskathedraal als cultusplaatsen van de gereformeerden gebruikt en werden de diensten in het Nederlands gehouden. De Franstalige Brusselaars gebruikten de kapel van Nassau (die Willem de Zwijger in 1544 geërfd had) en daarna de Madeleinekerk.
Intussen werd het leger van de Staten Generaal verslagen te Gembloers. Don Juan kon van deze overwinning geen voordeel behalen, aangezien hij kort daarop overleed te Bouge. Zijn luitenant, Alexander Farnèse, prins van Parma, volgde hem op. De Unie van Arras (1579) riep de afscheiding van de Generale Staten van de staten Artois, Henegouwen en Frans Vlaanderen uit. De troepen van Farnèse bezetten de provincies Namen, Limburg en Luxemburg. De noordelijke provincies, Vlaanderen, Brabant, Mechelen en het Doornikse tekenden de Unie van Utrecht, basis voor de Verenigde Provincies der Nederlanden.
De prins van Parma begon een heroveringtocht. Zo vielen Maastricht in 1579, Cambrai in 1581, Doornik in 1582 en Ninove, Duinkerke en Eindhoven waarna het Waasland, Ieper, Brugge en Gent werden geïsoleerd en vielen in 1584. Willem van Nassau, prins van Oranje werd in die tijd, te Delft, vermoord. Oostende hield stand tot in 1604. In Brabant werden Brussel, Mechelen en Antwerpen belegerd, zij moesten zich 'verzoenen' in 1585. De val van Antwerpen betekende dat vele protestanten die niet weer onder het katholicisme wilden leven de stad verlieten en hun toevlucht zochten in onder meer de noordelijke gebieden.

Emigratie of vlucht naar het buitenland
Gedurende de tijd van het Ancien Regime waren er perioden dat mensen vluchtten wegens geloofsredenen. In de zestiende eeuw echter ging het om een massale uitwijking waarbij ongeveer 250.000 personen betrokken waren. Zo vluchtte Jacobus Praepositus, prior van de Antwerpse augustijnen, in 1522 als een van eersten naar het buitenland om aan de brandstapel te ontkomen.
Sommigen trokken naar de noordelijke Nederlanden, die bevrijd waren door de Geuzen. De Vlamingen mengden zich onder de Nederlandstalige bevolking. De Franstaligen vormden er 35 Waalse gemeenten, die een particuliere synode vormden binnen de gereformeerde Kerken van de Verenigde Provincies, waarvan er tot op heden nog 16 gemeenten bestaan.

In Engeland, onder de bescherming van koning Eduard VI, werd te Londen een eerste gemeente van 'Strangers' opgericht in 1547. Onder koningin Elisabeth I werden acht Waalse en dertien Vlaamse gemeenten opgericht, ze vormden twee vergaderingen en vanaf 1604 een synode.
De vluchtelingenkerk te Canterbury (oud-Nederlands Kantelberg) bestaat nog altijd en houdt haar diensten elke zondag om 15 uur in de krocht van de Anglicaanse kathedraal. Deze gemeente is geaffilieerd met de V.P.K.B.
In Duitsland werden twintig Waalse en dertien Vlaamse gemeenten opgericht, namelijk te Emden, Wezel en Frankfurt, en later in de Palts. De nationale synode van Emden (1571) verenigde hen in een kerkelijke provincie, opgedeeld in vier classes of districten.
In de 18de eeuw strekte de emigratie zich uit tot Polen en Hongarije. Louis de Geer trok naar Zweden waar hij de hoogovens vernieuwde. Honderden ervaren ambachtslui trokken met hem mee en stichtten er gereformeerde gemeenten.
Andere Walen trokken de Atlantische oceaan over en bouwden een fort op het eiland Manhattan, waar later New York ontstond.
Het gebied er omheen werd de Nederlandse provincie van Nieuw België. Nog anderen trokken naar Batavia (Indonesië), Brazilië, Guyana, Kongo en Zuid-Afrika.
Op het eind van de zeventiende eeuw vluchtten honderden uit de Borinage naar Pruisen en Brandenburg, waar ze gemeenten stichtten.

De Protstestantse gemeenten in onze streken tijdens de 17e en 18e eeuw
De aartshertogen Albert en Isabella poogden het Protestantisme een halt toe te roepen door het uitvaardigen van plakkaten, door religieuze orden (o.a. de Jezuïeten) te bevoordelen, door Oostende aan hun genade over te leveren en de laatste mennonieten gemeenschappen van Zomergem en Lovendegem uiteen te drijven. Toch bleven in deze moeilijke tijden enkele protestantse eilandjes bestaan, bijvoorbeeld te Brussel waar de ambassades van Engeland en de Verenigde Provincies een kapelaan hadden, te Antwerpen waar de ‘Brabantse olijfberg’ bijeenkwam in het atelier van Jacob Jordaans, te Hodimont - Verviers en te Eupen, te Horebeke waar de gemeente, die uit mensen van de streek bestond, onder de naam ‘De Vlaamse Olijfberg’ tot op heden aanwezig is, te Rogny, onder de naam ‘de olijf’ en ook in de Borinage en de streek van Namen.
Op het eind van de 17e eeuw en het begin van de 18e brachten de oorlogen tegen Louis XIV Engelse en Nederlandse troepen, o.l.v. generaal John Churchill, graaf van Malborough, in onze streken, die de gereformeerden gunstig gezind waren. Gedurende deze tijd van uitzonderlijke tolerantie werden de vroegere protestantse kerken van Eupen (1708) en Hodimont (1711) gebouwd.
Aan deze situatie kwam een einde door het Barrièretraktaat (1715), alhoewel de Verenigde Provincies gepoogd hadden een algemene godsdienstvrijheid te bekomen voor onze provincies, die van de Spaanse Habsburgers overgingen naar de Oostenrijkse Habsburgers. De godsdienstvrijheid werd wel verleend aan de soldaten van de Hollandse garnizoenen en protestantse kerken werden geopend te Namen, Doornik, Menen (sinds 1706 was de St.- Janskapel aan de gereformeerden toegewezen), Veurne, Waasten, Ieper en Dendermonde. Gedurende de 17e eeuw konden de Belgische protestanten gebruik maken van de aanwezigheid van de militaire aalmoezeniers om voor te gaan in de diensten.

De gereformeerden van Outre-Meuse en Lommel genoten van een totale godsdienstvrijheid want deze streken werden als gevolg van het verdrag van Munster aan de Verenigde Provincies toegevoegd.

Van tolerantie naar vrijheid
Door de Verlichting kwam een tolerantere houding t.o.v. de protestanten. Op 12 november 1781 kondigde Jozef II het decreet ‘over de Tolerantie’ af die ook aan de ‘akatholieken’ godsdienstvrijheid toekende. De cultusvrijheid werd beperkt tot het privé-leven. Het decreet werd verder uitgewerkt i.v.m. scholen en gemengde huwelijken. Vanaf 1794 mochten de protestanten hun eigen registers van de burgerlijke stand bijhouden.
Tussen 1789 en 1800 veranderde België voortdurend van politiek regime: Verenigde Belgische Staten, herstel van het Oostenrijks bewind, Franse invasie en annexatie en bewind onder de naam van de Verenigde Departementen. Met de veranderingen veranderde ook het religieuze leven: herstel van tolerantie, vrijheid van eredienst, die later weer verboden werd. Men moest wachten op Napoleon Bonaparte voordat zich een definitieve vrijheid aankondigde, via een wet op de protestantse eredienst van 18 germinal van het jaar 10 (8 april 1802). Deze wet hield ook rekening met de kerken van de Augsburgse Confessie (luthersen). Ze werd voor een groot deel overgenomen door de Belgische wetgeving. Het departement van de Ourthe vermeldt de gemeente van Eupen, Hodimont, Olne- Dalhem, Kirscheiffen en Schleiden. Het departement van Jemappes had de gemeenten Dour, Wasmes- Paturages en Rogny. In het departement van de Dijle werd een gemeenschap erkend te Brussel terwijl niet officiële gemeenten bestonden te Gent, Etikhove, Horebeke en Mater in het departement van de Schelde en te Antwerpen voor het departement van de twee Neten. In 1804 kregen de Brusselse protestanten per octrooi de Hofkapel die opgericht werd op bevel van Karel van Lotharingen in 1760.
Het congres van Wenen in 1814 verbond België en Holland onder Willem I. Hij reorganiseerde de protestantse cultus in België en nieuwe gemeenten ontstonden te Brussel (in het Nederlands), te Luik, Hoei, Doornik en Oostende. Militaire aalmoezeniers werden aangesteld te Brugge, Namen, Bergen, Bouillon, Oudenaarde en Aarlen. De gemeenten van de zuidelijke provincies werden verenigd onder de leiding van Limburg en opgedeeld in de classis of districten Maastricht en Brussel.
Op de vooravond van de Belgische revolutie waren er op 56 plaatsen protestantse gemeenten.

Het Reveil van de 19e eeuw
De godsdienstvrijheid werd door de voorlopige regering op 16 oktober 1830 uitgeroepen.
Vanaf 1836 hadden voorgangers de ‘Société évangélique belge’ opgericht, die zich vooral in Wallonië met een intensieve verkondiging bezig hield. In 1849 ging deze ‘vereniging’ over in de ‘Belgisch Christelijke Zendingskerk’, met aan het hoofd een synode.
Anderzijds gingen 16 gemeenten die aan zichzelf overgelaten werden sedert de Belgische revolutie, over tot het oprichten van de ‘Bond van de protestantse-evangelische kerken’, die in de oprichtingsvergadering van 22 april 1839 een synode instelde. Volgens een tekst van 6 mei 1839 (niet gepubliceerd in Het Staatsblad) werd de synode erkend als enige kerkelijke overheid van deze kerken en als hun spreekbuis.
Protestanten die niet tot een kerkelijke structuur wensten te behoren verenigden zich in 1854 in de ‘Vergaderingen’ van broeders, de Darbisten.
De grondwet zorgde voor een basis voor een Staat die zich neutraal opstelde in religieuze zaken, maar die tegelijk een positieve houding aannam t.o.v. van de verschillende rites. Deze pluraliteit werd goedgekeurd, ook al maakten de protestanten slechts een minderheid van de bevolking uit. In 1846 waren er 7.568 protestanten en anglicanen op een Belgische bevolking van 4.337.160 inwoners.
Zou men hierin de invloed van Leopold I, zelf protestant en vrijmetselaar, kunnen terugvinden? Dominee Sheler werd door de koning als zijn kandidaat voor de kerk van Brussel (Koninklijke Kapel) naar voren geschoven. Hij werd echter niet verkozen en werd de bibliothecaris van de Koning.
De wet van 4 maart 1870 erkent de protestantse en anglicaanse structuur (alsook de joodse, in afwachting van de islamitische -19 juli 1974- en de orthodoxe door wet van 17 april 1985).
In 1875 wordt door dominee Nicolaas de Jonge te Brussel een ‘Vlaamse Opleidingsschool voor evangelisten’ opgericht, waarvan de bekendste leerling Vincent Van Gogh zou worden. De Jonghe startte de Nederlandstalige vereniging Silo, die acht gemeenten, drie scholen (Silo-Laken, Ronse, Geraardsbergen), een ziekenhuis en een drukkerij leidde.
In 1880 werd door dominee James Hocart de Protestantse Liberale Kerk van Brussel gesticht die in 1888 door de staat werd erkend. Het jaar daarop opende het leger des Heils zijn eerste post in Vlaanderen.
Op het eind van de eeuw vestigden zich de baptisten in België en de Gereformeerde kerk in Nederland stichtte twee Nederlandstalige gemeenten in Brussel en Antwerpen.

Evangelisatie en fusie van kerken in de 20e eeuw
De Eerste Wereldoorlog betekende een slag voor de groei van het protestantisme in het bezette België. Voor het leger aan het front en de posten achter het front werd het protestants legeraalmoezenierschap opgericht, enkele Duitse secties van een paar gemeenten werden opgeheven, terwijl de gemeenten van de Oostkantons (Eupen, Malmedy, Neu-Moresnet en St.-Vith) in de ‘Synode van de Bond van Protestants-Evangelische Kerken’ werden opgenomen.
In de jaren tussen de twee oorlogen, kwamen drie organisaties van Amerikaanse oorsprong zich in België vestigen, namelijk: de Belgische Evangelische Zending (waaruit later de Vereniging voor Vrije Evangelische kerken ontstond en die het Belgisch Bijbelinstituut oprichtte), de Methodistische zending (met een episcopale structuur) en de Pinkstergemeenten.
De vroegere Protestantse en Gereformeerde kerken stichten in 1923 ‘de Federatie van Protestantse Kerken’ en organiseerden de godsdienstlessen in de openbare scholen.
De tweede wereldoorlog werd een tijd van beproeving, dominees en leken werden geëxecuteerd of gedeporteerd, andere protestanten gingen in het verzet of hielpen joden aan de nazi vervolgingen te ontkomen.
Toen er weer vrede was kwamen de Belgische Evangelische Lutherse kerk (erkend door de staat in 1963) en de Mennonieten terug.
Vanaf het begin van de eeuw hadden de Bond van de Protestantse-Evangelische kerken en de Belgische Christelijke Zendingskerk samen de Vereniging voor de geschiedenis van het Belgisch Protestantisme opgericht (Koninklijke Vereniging sinds 1990). In 1950 werd samen met de Methodisten de Universitaire Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid opgericht. In 1957 ging de ‘Bond van Kerken’ over in de ‘Protestants-Evangelische kerk van België’ (46 lokale gemeenten) en nam deze tevens de ‘Silo’ vereniging op. In 1969 verenigden ze zich met de Belgische Vereniging van Methodisten Kerken (16 lokale gemeenten) tot de ‘Protestantse Kerk van België’. De Zendingskerk nam de naam van ‘Hervormde Kerk van België’ aan. Op 1 januari 1979 werden deze kerken, samen met de Gereformeerde Kerk, opgenomen in de Verenigde Protestantse Kerk in België.
Hiernaast bestaan ook de Evangelische Alliantie Vlaanderen en de Fédération Evangélique Francophone de Belgique (1989).
Bron: ds. Dirk van Wageningen en ds. Marie-Claire Vandooren


Terug naar boven
Verenigde Protestantse Kerk in België
Brogniezstraat, 44
B, 1070 Brussel
T: 02 511 44 71
Neem contact op

Franstalige versie: epub.be